Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-01-03
ECLI:NL:CRVB:2019:86
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,632 tokens
Inleiding
167014 AOW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
5 oktober 2016, 15/5498 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Turkije (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 3 januari 2019
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E. Türk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Türk. Als tolk is verschenen A. Kabaktepe. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.
Overwegingen
1.1.
In oktober 2009 heeft de Svb vastgesteld dat appellant niet aan de Svb heeft doorgegeven dat zijn echtgenote vanaf januari 2005 inkomen uit arbeid heeft genoten. Bij besluit van
3 februari 2010 is de partnertoeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), die appellant heeft ontvangen in de periode van januari 2005 tot en met oktober 2009, herzien en teruggevorderd tot een bedrag van € 24.227,40. Verder is een boete opgelegd van € 2.269,- en vastgesteld dat appellant in totaal 26.496,40 aan de Svb dient te betalen.
1.2.
Bij besluit van 13 augustus 2010 is vastgesteld dat de boete met ingang van
augustus 2010 met het AOW-pensioen van appellant zal worden verrekend en aansluitend het terugvorderingsbedrag zal worden verrekend.
1.3.
Appellant heeft de Svb in een brief van 19 oktober 2011 meegedeeld dat hij heeft besloten met ingang van 30 november 2011 naar Turkije te verhuizen. Hij heeft de Svb verzocht mee te delen wat de status van zijn schulden is en welk bedrag na zijn verhuizing maandelijks op zijn uitkering zal worden ingehouden. Bij brief van 26 oktober 2011 heeft de Svb geantwoord dat de openstaande schuld € 24.417,04 bedraagt en dat maandelijks € 25,80 wordt verrekend met het AOW-pensioen van appellant. Vervolgens is appellant naar Turkije verhuisd.
1.4.
Bij besluit van 2 december 2013 is appellant met ingang van 1 oktober 2013 een Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB) van € 25,16 bruto per maand toegekend. Daarbij is bepaald dat met ingang van juli 2014 € 50,96 (€ 25,80 + € 25,16) per maand zal worden verrekend. Tevens is medegedeeld dat in augustus 2014 opnieuw een onderzoek zal worden ingesteld naar de aflossingscapaciteit van appellant.
1.5.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 december 2013 is gegrond verklaard bij besluit van 18 april 2014. Daarbij is het maandelijkse inhoudingsbedrag per juli 2014 alsnog gehandhaafd op € 25,80 per maand, omdat de Svb zich niet bevoegd acht om de KOB in de verrekening te betrekken. In de beslissing op bezwaar van 18 april 2014 heeft de Svb verder te kennen gegeven dat voor in het buitenland wonenden geen beslagvrije voet van toepassing is, dat de Svb in dergelijke gevallen een beslagvrije voet van 90% van de in Turkije geldende remigratie-uitkering kan hanteren en dat de aan appellant gelaten vrije bestedingsruimte ook die grens ruimschoots overtreft. De Svb heeft aangekondigd in augustus 2014 opnieuw te zullen bepalen welk bedrag appellant maandelijks moet aflossen.
1.6.
Bij besluit van 1 oktober 2014 heeft de Svb vastgesteld dat met ingang van
1 oktober 2014 op het AOW-pensioen € 306,80 per maand wordt ingehouden. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 13 augustus 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Overwogen is dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op een schuldenaar die niet in Nederland woont of er vast verblijft, en dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zich tot de kantonrechter te wenden indien hij het niet eens is met de betalingsregeling. De Svb is bij het bepalen van het maandelijks te verrekenen bedrag bevoegd gebruik te maken van de volledige aflossingscapaciteit van appellant. De Svb heeft op grond van zijn beleid een beslagvrije voet mogen hanteren van 90% van de remigratie-uitkering voor het land waarin appellant woont. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De brief van 26 oktober 2011 bevat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging dat ook in de toekomst niet meer dan € 25,80 per maand zou worden verrekend. Wat betreft de stelling van appellant dat een uitlooptermijn diende te worden gehanteerd, heeft de rechtbank geoordeeld dat voor appellant vanaf ten minste april 2014 duidelijk heeft kunnen zijn wat de financiële gevolgen van herberekening van de beslagvrije voet zouden kunnen zijn, omdat bij besluiten van
2 december 2013 en 18 april 2014 is aangekondigd dat de aflossingscapaciteit opnieuw zal worden onderzocht en uitleg is gegeven over de beslagvrije voet die is gehanteerd in de periode van december 2013 tot juni 2014.
3.1.
Appellant heeft zich – in essentie – op het standpunt gesteld dat door de inhouding op het pensioen onvoldoende inkomen overblijft om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en dat appellant niet in de gelegenheid is gesteld zich op het hogere inhoudingsbedrag in te stellen.
3.2.
De Svb heeft het standpunt ingenomen dat hij in beginsel gehouden is om de volledige bij appellant aanwezige aflossingscapaciteit te benutten. Geen rekening kan worden gehouden met de beslagvrije voet van artikel 475e van het Wetboek van rechtsvordering. Deze bepaling is niet van toepassing omdat appellant op de in geding zijnde datum niet in Nederland woonde. Aan de bevoegdheid om een lagere aflossingscapaciteit vast te stellen wordt door de Svb voldaan door het inhoudingsbedrag van in het buitenland wonende schuldenaren vast te stellen op 90% van de remigratie-uitkering. Gesteld is dat het niet aan de Svb is te wijten dat appellant niet op het hogere inhoudingsbedrag heeft kunnen anticiperen. Volgens de Svb is geen sprake van een zodanige toezegging dat appellant daaraan een gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 4, tweede lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (regeling), in verbinding met artikel 4, eerste lid, en artikel 3, eerste lid, van de regeling, is bepaald dat indien de vordering het gevolg is van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting de periodieke betalingen of verrekeningen, (…) door de SVB zodanig worden vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar. Ingevolge artikel 4, zesde lid, jo. artikel 3,
zevende lid, van de regeling kan de Svb van artikel 4 van de regeling afwijken indien toepassing van dit artikel tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt.
4.2.
De Svb heeft het bedrag van de maandelijkse inhouding op het AOW-pensioen van appellant met ingang van 1 oktober 2014 gesteld op een bedrag van € 306,80. Daarbij is rekening gehouden met een beslagvrije voet die overeenkomt met 90% van de
remigratie-uitkering voor een alleenstaande die geldt voor Turkije. In geschil is of de Svb op grond van het rechtszekerheidsbeginsel en met het oog op de inkomenssituatie van appellant gehouden was (ook) met ingang van 1 oktober 2014 een verdergaande toepassing te geven aan zijn bevoegdheid het inhoudingbedrag lager vast te stellen.
4.3.
In dit verband is van belang dat appellant in oktober 2011, voor zijn vertrek naar Turkije, bij de Svb heeft geïnformeerd naar de gevolgen van zijn vertrek naar Turkije. In zijn reactie van 26 oktober 2011 heeft de Svb – kennelijk abusievelijk – niet gerept van het feit dat in Turkije geen, dan wel een lagere beslagvrije voet zou worden toegepast. Appellant behoefde er daarom geen rekening mee te houden dat zijn verhuizing voor de maandelijks inhoudingen geen gevolgen zou hebben. Weliswaar kan aan de Svb niet de bevoegdheid worden ontzegd de gemaakte fout vanaf enig moment te corrigeren, maar wel was de Svb er op grond van het rechtszekerheidsbeginsel toe gehouden, alvorens tot een forse verhoging van de maandelijks in te houden bedragen over te gaan, appellant hiervan op eenduidige en heldere wijze op de hoogte te stellen. Daarbij diende de Svb aan appellant een voldoende lange overgangstermijn te gunnen om zich te kunnen instellen op de wijziging.
Overwegingen
5. Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden in bezwaar begroot op € 512,-, in beroep op € 1.024,- en in hoger beroep op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand. De door appellant in beroep opgevoerde proceskosten, voor zover deze geen betrekking hebben op verleende rechtsbijstand, komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze kosten niet zijn onderbouwd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 augustus 2015;
herroept het besluit van 1 oktober 2014;
veroordeelt de Svb tot vergoeding aan appellant van de schade zoals onder overweging 4.6 en 4.7 van deze uitspraak is vermeld;
veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.560,-;
bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2019.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) Y. Azirar
LO