Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-02-21
ECLI:NL:CRVB:2019:588
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,326 tokens
Inleiding
167806 WAO
Datum uitspraak: 21 februari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2016, 16/4927 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. F.A. Steeman.
Overwegingen
1.1.
Appellant ontvangt sinds 23 augustus 1993 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarnaast ontvangt appellant een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
1.2.
Op 12 maart 2015, 24 april 2015 en 17 september 2015 heeft de Arbeidsinspectie controles uitgevoerd in de pizzeria van de zoon van appellant. Op 17 september 2015 was ook een inspecteur van het Uwv betrokken bij de controle. Op deze drie data werd appellant aangetroffen in de pizzeria. Het Uwv is vervolgens een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende WAO-uitkering en toeslag, in welk kader appellant is gehoord op 17 september 2015, 18 september 2015 en 17 december 2015. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 8 oktober 2015. In een Memo van 21 december 2015 heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant van 1 oktober 2014 tot 1 oktober 2015 gedurende 24 uur per week op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de pizzeria van zijn zoon, waarbij de waarde van die werkzaamheden is vastgesteld op het wettelijk minimumloon.
1.3.
Bij besluit van 21 januari 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat de WAO-uitkering van appellant over de periode van 1 oktober 2014 tot 1 oktober 2015 in verband met door hem in de pizzeria van zijn zoon verrichte, op geld waardeerbare, werkzaamheden met toepassing van artikel 44 van de WAO wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In verband daarmee heeft het Uwv de toeslag over de periode van 1 oktober 2014 tot 1 oktober 2015 herzien. Het Uwv heeft een bedrag van € 9.080,84 bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag van appellant teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 30 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 januari 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de door appellant verrichte werkzaamheden (de pizzeria openen en sluiten, de orders aannemen, het uitbetalen van werknemers en het toezicht houden) terecht als op geld waardeerbare werkzaamheden heeft gekwalificeerd. De door appellant gestelde omstandigheden, dat hij de werkzaamheden heeft verricht op verzoek van zijn zoon, dat hij dit niet kon weigeren omdat dit niet gebruikelijk is in de Turkse cultuur en dat er geen sprake was van een dienstbetrekking noch van een gezagsverhouding, kunnen niet leiden tot de conclusie dat er geen sprake was van werkzaamheden die in het economisch verkeer een loonwaarde vertegenwoordigen. De rechtbank heeft niet van belang geacht dat appellant voor zijn werkzaamheden geen geld ontving, omdat er van moet worden uitgegaan dat hij hiervoor wel een betaling had kunnen bedingen. Daarnaast staat volgens de rechtbank vast dat appellant de werkzaamheden niet heeft gemeld aan het Uwv. Het betoog van appellant, dat hij niet wist dat hij dit moest melden omdat hij immers geen geld ontving van zijn zoon, slaagt niet. De rechtbank heeft geoordeeld dat het voor appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de werkzaamheden van invloed konden zijn op (de hoogte van) zijn uitkering en dat appellant dan ook de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv terecht overgegaan tot herziening van de WAO-uitkering en toeslag van appellant over de periode oktober 2014 tot oktober 2015 en tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag in diezelfde periode. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant de hoogte van het bedrag dat wordt teruggevorderd niet heeft betwist. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de door appellant gestelde financiële problemen niet kunnen worden aangemerkt als een dringende reden om van herziening en terugvordering − geheel of gedeeltelijk − af te zien. De rechtbank heeft erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad dringende redenen slechts kunnen zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een herziening en terugvordering voor een betrokkene heeft. Appellant heeft niet onderbouwd dat daarvan sprake is. Daarbij heeft de rechtbank ook van belang geacht dat appellant een betalingsregeling met het Uwv heeft getroffen, waarbij rekening wordt gehouden met de voor appellant geldende beslagvrije voet.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn aanwezigheid in de pizzeria van zijn zoon, gelet op de aard en de omvang van zijn hulp, niet gelijk gesteld kan worden met op geld waardeerbare werkzaamheden en dat zijn hulp in het economische verkeer geen of slechts een geringe op geld waardeerbare loonwaarde zou kunnen vertegenwoordigen. Appellant heeft erkend dat hij van 1 oktober 2014 tot 1 oktober 2015 wel eens in de pizzeria van zijn zoon aanwezig is geweest, maar hij heeft erop gewezen dat hij slechts de helpende hand heeft toegestoken indien zijn zoon niet in de pizzeria aanwezig kon zijn. Gelet op de familieband en de Turkse cultuur was het voor hem niet mogelijk om hiervoor een tegenprestatie te vragen. Appellant heeft dan ook betoogd dat de herziening en terugvordering van zijn WAO-uitkering en toeslag op een onjuiste grondslag berust. Tot slot heeft appellant erop gewezen dat hij al jaren moet rondkomen van een inkomen op minimumniveau en dat terugbetaling van ruim € 9.000,- voor hem en zijn gezin tot grote financiële problemen leidt. Hij heeft betoogd dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien dan wel het bedrag op nihil te stellen of te matigen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is alleen in geschil of appellant in de periode van 1 oktober 2014 tot 1 oktober 2015 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de pizzeria van zijn zoon en of sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.
4.2.
Appellant heeft op 12 maart 2015, 17 september 2015, 18 september 2015 en 17 december 2015 verklaringen afgelegd over zijn aanwezigheid in de pizzeria. Ter zitting van de Raad heeft appellant betoogd dat hij bij het afleggen van de verklaringen op 17 september 2015, 18 september 2015 en 17 december 2015 van de inspecteur van het Uwv geen ruimte kreeg om uitleg te geven over zijn aanwezigheid in de pizzeria. Uit vaste rechtspraak vloeit evenwel voort dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring mag worden uitgegaan en dat aan het intrekken daarvan, of het achteraf ontkennen van het verklaarde, weinig of geen betekenis toekomt. Appellant heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij, doordat hij naar eigen zeggen onvoldoende ruimte kreeg om te verklaren, tegenover het Uwv onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Daarom bestaat geen grond om appellant niet te houden aan zijn op 17 september 2015, 18 september 2015 en 17 december 2015 afgelegde verklaringen.
4.3.
Gelet op de door appellant afgelegde verklaringen wordt het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant in voornoemde periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht onderschreven, evenals de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Op basis van deze verklaringen wordt vastgesteld dat appellant in de pizzeria van zijn zoon gedurende 24 uur per week werkzaamheden heeft verricht, die een reële loonwaarde vertegenwoordigen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2019.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) L. Boersma
ew