Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-12-19
ECLI:NL:CRVB:2019:4294
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,430 tokens
Inleiding
177652 AKW
Datum uitspraak: 19 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
26 oktober 2017, 17/2665 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.
Overwegingen
1. Appellant is de grootvader van [naam kleinzoon], geboren [in] 2013. In een beschikking van 20 juli 2016 heeft de rechtbank de ouders van [naam kleinzoon] uit de ouderlijke macht ontheven en appellant benoemd tot voogd. [naam kleinzoon] woont sinds september 2013 bij zijn tante, de dochter van appellant (pleegmoeder). Zij ontvangt voor [naam kleinzoon] een pleeggeldvergoeding. Appellant heeft kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor [naam kleinzoon]. Hij heeft daarbij gesteld per kwartaal ongeveer € 700,- bij te dragen in het onderhoud van [naam kleinzoon]. De Svb heeft geweigerd appellant kinderbijslag toe te kennen. Naar het oordeel van de Svb heeft appellant geen recht op kinderbijslag, nu [naam kleinzoon] niet is aan te merken als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind van hem. [naam kleinzoon] zou als pleegkind aangemerkt kunnen worden als hij door appellant als eigen kind wordt onderhouden. Hiervan is geen sprake, nu de pleegmoeder een pleeggeldvergoeding ontvangt en een derde dus in belangrijke mate bijdraagt in het onderhoud van [naam kleinzoon]. Bij beslissing op bezwaar van 11 mei 2017 (bestreden besluit), waarin is vastgesteld dat deze ziet op het vierde kwartaal van 2016 en het eerste van 2017, is het bezwaar tegen de weigering van kinderbijslag ongegrond verklaard.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de vraag aan de orde is of appellant [naam kleinzoon] onderhoudt als eigen kind als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de AKW en artikel 1, eerste lid, van de Regeling gelijkstelling pleegkinderen. Uit de uitspraak van de Raad van 20 augustus 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN4706) volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat aangenomen moet worden dat een betrokkene een kind als een eigen kind onderhoudt wanneer hij duidelijk meer bijdraagt in de noodzakelijk onderhoudskosten van het kind dan een derde. Nu de pleegzorgvergoeding hoger is dan het bedrag dat appellant aan het onderhoud van [naam kleinzoon] bijdraagt, kan niet worden gezegd dat appellant [naam kleinzoon] onderhoudt als een eigen kind en heeft hij geen recht op kinderbijslag.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij, als burgervoogd, ook financieel verantwoordelijk is voor [naam kleinzoon]. Dit is hem door de rechtbank tijdens de zitting over het aanwijzen als voogd uitdrukkelijk gezegd. Nu hij ook feitelijk bijdraagt in het onderhoud, heeft hij recht op kinderbijslag. Appellant meent dat hij, voor de AKW, op dezelfde manier behandeld dient te worden als ouders van een kind.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank terecht en op juiste gronden geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat appellant [naam kleinzoon] onderhoudt als een eigen kind. Gezien de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, alsmede de rechtspraak op dit gebied is alleen van een dergelijke situatie sprake als appellant duidelijk meer bijdraagt aan het onderhoud van [naam kleinzoon] dan iemand anders. Dit blijkt niet uit de gegevens. De pleegmoeder ontvangt meer pleeggeldvergoeding per kwartaal dan appellant stelt bij te dragen aan het onderhoud van [naam kleinzoon]. Nu de pleegmoeder via de pleeggeldvergoeding al een bijdrage ontvangt voor de kosten van de opvoeding en het onderhoud van [naam kleinzoon], komt zij niet meer in aanmerking voor kinderbijslag. En nu appellant niet duidelijk meer bijdraagt in deze kosten, komt hij evenmin in aanmerking voor kinderbijslag.
4.2.
De Raad vat de stelling van appellant dat hij voor het recht op kinderbijslag als voogd gelijkgesteld moet worden met ouders, op als een beroep op het discriminatieverbod dat in diverse verdragen is neergelegd. Nu appellant de enige voogd is van [naam kleinzoon], is hij verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding. Dit houdt echter niet in dat hij de plicht heeft [naam kleinzoon] te onderhouden. Een dergelijke onderhoudsplicht geldt wel voor ouders, zodat alleen al om deze reden niet gezegd kan worden dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Dit beroep op het discriminatieverbod slaagt dan ook niet.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2019.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) H.S. Huisman