Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-12-04
ECLI:NL:CRVB:2019:3850
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,382 tokens
Inleiding
174390 ZW
Datum uitspraak: 4 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 mei 2017, 16/4150 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M. Özgül, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Özgül en T. Cetinkaya (tolk). Het Uwv is ter zitting niet verschenen.
Overwegingen
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster voor 20 uur per week. Op 8 mei 2015 heeft zij zich ziek gemeld met diverse klachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 24 maart 2016 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 maart 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten en heeft vervolgens de functies productiemedewerker (samenstellen van producten), wikkelaar en inpakker (handmatig) geselecteerd en op basis van deze functies berekend dat appellante per 6 mei 2016 meer dan 65% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft daarom bij besluit van 26 april 2016 het ziekengeld met ingang van 7 juni 2016 beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 24 juni 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 juni 2016 ten grondslag gelegd.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante niet hebben onderschat. De door appellante overgelegde medische informatie heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de bij appellante vastgestelde dysthyme stoornis en in verband daarmee zijn verschillende beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Dat appellante meer klachten ervaart, waaronder concentratieproblemen en vergeetachtigheid, zoals naar voren komt uit de brief van haar psycholoog en psychiater van 17 maart 2016, is volgens de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat in verband daarmee aanvullende beperkingen dienen te worden aangenomen. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat in de longklachten, hoofdpijn en been- en polsklachten van appellante geen aanleiding wordt gezien een urenbeperking noodzakelijk te achten. Verder is niet gebleken dat appellante Trazodon medicatie gebruikte ten tijde van de onderzoeken door de verzekeringsartsen en de datum in geding. Verder is overwogen dat het medicijn Amitriptyline voor de nacht moet worden ingenomen, zodat het niet voor de hand ligt dat er als gevolg daarvan overdag sprake is van sufheid of slaperigheid. Voor de overige medicatie is uit zorgvuldigheid een beperking gesteld voor autorijden. De rechtbank heeft de verzekeringsartsen gevolgd in hun standpunt dat in het medicijngebruik van appellante geen aanleiding is gezien om haar meer beperkt te achten dan in de FML is weergegeven. Uitgaande van de juistheid van de FML van 24 maart 2016 is de rechtbank er voldoende van overtuigd geraakt dat de belastbaarheid van appellante in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden de ZW-uitkering van appellante heeft beëindigd per 7 juni 2016.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt als ingenomen in beroep gehandhaafd. Zij houdt staande dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en haar psychische beperkingen zijn onderschat. Appellante is van mening dat de door haar ervaren klachten, bestaande uit concentratieklachten en vergeetachtigheid, wel objectief zijn vastgesteld. Zij heeft verwezen naar de brief van haar behandelend psychiater van 17 maart 2016. Volgens appellante moeten er aan het medicatiegebruik meer beperkingen worden verbonden. Vanwege haar medische beperkingen acht appellante zich niet in staat de geselecteerde functies te verrichten.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend, en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
4.2.1.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest.
4.2.2.
Appellante wordt niet gevolgd in haar in standpunt dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen medische informatie hebben opgevraagd bij de behandelend huisarts en neuroloog. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad kan een verzekeringsarts op zijn eigen oordeel varen als het gaat om het vaststellen van beperkingen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4808, en 11 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP4330). De verzekeringsarts dient de behandelend sector te raadplegen indien een behandeling in gang gezet zal worden of reeds plaatsvindt en die behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene, of indien de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over zijn beperkingen. Die gevallen doen zich hier niet voor.
4.2.3.
De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgelegde belastbaarheid van appellante. De rechtbank heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. De overwegingen waarop het oordeel van de rechtbank berust worden onderschreven.
4.2.4.
In wat namens appellante ter zitting is aangevoerd ten aanzien van de psychische beperkingen geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Appellante heeft er weliswaar terecht op gewezen dat de psychiater en psycholoog een dysthyme stoornis hebben vastgesteld, terwijl de verzekeringsarts ervan is uitgegaan dat sprake is van een “reactie op ernstige stress met depressieve kenmerken”. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat de psychische beperkingen zijn onderschat.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2019.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) D.S. Barthel