Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-10-01
ECLI:NL:CRVB:2019:3155
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,558 tokens
Inleiding
19 313 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 1 oktober 2019
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
10 december 2018, 18/1678 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. P.G.M. Lodder, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een (nader) onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 1 januari 2016 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Vanaf 7 juli 2017 staat appellante ingeschreven op het adres [adres] te [plaatsnaam] in de basisregistratie personen. Naar aanleiding van deze verhuizing heeft het college inlichtingen ingewonnen bij appellante. Blijkens het overgelegde huurcontract bedraagt de huur van de nieuwe woning € 1.685,- per maand. Bij brief van 21 september 2017 heeft appellante te kennen gegeven dat haar ex-echtgenoot X de helft van de huur betaalt. Verder heeft appellante desgevraagd verklaard dat haar familie een bedrag van € 200,- per maand bijdraagt.
1.2.
Bij besluit van 9 oktober 2017 heeft het college de bijstand met ingang van 7 juli 2017 ingetrokken en de over de periode van 7 juli 2017 tot en met 30 september 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.066,56 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante inkomsten heeft uit giften van X en haar familie. Hiermee kan appellante de kosten van levensonderhoud zelf betalen.
1.3.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 oktober 2017 en daarbij twee verklaringen overgelegd van Y en Z. Y heeft, voor zover hier van belang, verklaard dat hij aan appellante in augustus 2017 een bedrag van € 1.500,- en in oktober 2017 een bedrag van € 1.000,- heeft geleend. Z heeft, voor zover hier van belang, verklaard dat hij in juli 2017 een bedrag van € 1.200,- en in september 2017 een bedrag van € 1.750,- aan appellante heeft geleend.
1.4.
Bij besluit van 19 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het college, onder aanvulling van de motivering, het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante door geen melding te maken van de ontvangen bedragen de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De bijdragen van X en de familie van appellante moeten als middelen worden aangemerkt waarover appellante kan beschikken. Primair kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld omdat niet duidelijk is tot welk bedrag appellante maandelijks wordt gesteund. Subsidiair heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de ontvangen bedragen van Y en Z hoger zijn dan de voor appellante geldende bijstandsnorm. Hieruit volgt dat appellante niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 7 juli 2017 tot en met 9 oktober 2017.
4.2.
Niet in geschil is dat appellante in juli 2017 een bedrag van € 1.200,-, in augustus 2017 een bedrag van € 1.500,- , in september 2017 een bedrag van € 1.750,- en in oktober 2017 een bedrag van € 1.000,- van Y en Z heeft ontvangen.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat de ontvangen bedragen als lening zijn verstrekt en dat deze daarom niet als middel voor de bijstand kunnen worden aangemerkt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Wat hiervoor ten aanzien van de bijstandontvanger is overwogen laat onverlet dat met betrekking tot degene, die (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand of na blokkering of opschorting van de bijstand geen bijstand ontvangt, ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen, mogelijk anders kan worden geoordeeld (uitspraak van 18 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:455). Deze situatie doet zich hier echter niet voor.
4.4.
Nu de onder 4.2 genoemde door appellante ontvangen bedragen al uitkomen boven de bijstandsnorm in de betreffende maanden, behoeven de bijdragen van X in de huur van appellante geen bespreking.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2019.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) J.B. Beerens