Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-09-24
ECLI:NL:CRVB:2019:3152
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,487 tokens
Inleiding
18829 NIOAW
Datum uitspraak: 24 september 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 januari 2018, 17/3194 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. C. Steijgerwalt, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. J.R.A. Röschlau, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Röschlau. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. Arendsen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 1 januari 2015 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) naar de grondslag voor de alleenstaande werkloze werknemer.
1.2.
Op 20 maart 2017 is de woning van appellante ontruimd wegens een huurachterstand en is appellante ingetrokken bij haar ex-partner op het adres [adres] te [woonplaats] . Appellante heeft dit doorgegeven aan het dagelijks bestuur. Appellante en haar ex-partner hebben samen drie meerderjarige kinderen.
1.3.
Bij besluit van 7 april 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 juli 2017 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de uitkering van appellante met ingang van 20 maart 2017 ingetrokken. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 20 maart 2017 verblijft bij haar ex-partner. Van een tijdelijke noodsituatie is niet gebleken. Daarom is sprake van een gezamenlijke huishouding.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. Geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat appellante haar hoofdverblijf niet in de woning van haar ex-partner heeft. Appellante slaapt daar vanaf
20 maart 2017. Zij ontvangt haar post op dat adres en staat bij het ziekenhuis op dat adres geregistreerd in verband met haar medische klachten. Het zwaartepunt van haar persoonlijk leven ligt daarom in de woning van haar ex-partner. Dat appellante overdag vaak elders verblijft en haar spullen elders heeft opgeslagen maakt dit niet anders. Het dagelijks bestuur heeft het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de IOAW, op grond waarvan een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren, terecht van toepassing geacht. Appellante en haar ex-partner hebben immers samen drie kinderen gekregen. In zijn arrest van 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2580, heeft de Hoge Raad bij de uitleg van hetzelfde onweerlegbare rechtsvermoeden in de Wet werk en bijstand overwogen dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de desbetreffende bepaling de regering heeft beoogd een effectieve bestrijding van leefvormfraude te bevorderen. De kennelijke en niet onbegrijpelijke gedachte daarbij is geweest dat de kans op verbondenheid en daarmee op wederzijdse verzorging van belanghebbenden die in een gemeenschappelijke woning verblijven in zijn algemeenheid groter zal zijn indien uit hun relatie kinderen zijn geboren, ongeacht of zij voor die kinderen (nog) een verzorgingsplicht hebben, dan indien dit niet het geval is. De uitspraak van de Raad van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV7784, leidt voor de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu deze uitspraak voor het arrest van de Hoge Raad is gedaan en daarbij de achtergrond van de relevante bepaling niet in ogenschouw is genomen.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 20 maart 2017, de datum met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken, tot en met 7 april 2017, de datum van het intrekkingsbesluit.
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat zij geen hoofdverblijf had bij haar ex-partner. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft met juistheid op grond van de onder 2 vermelde overwegingen geoordeeld dat geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat appellante niet haar hoofdverblijf in de woning van haar ex-partner had. Appellante heeft zelf aan het dagelijks bestuur doorgegeven en ook in haar bezwaarschrift van 20 april 2017 bevestigd dat zij vanaf 20 maart 2017 tijdelijk is ingetrokken bij haar ex-partner. Ook ter zitting van de Raad heeft appellante niet toereikend kunnen onderbouwen waar zij in de te beoordelen periode, in afwijking van haar opgave, haar hoofdverblijf wel had. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
4.3.1.
Appellante heeft vervolgens aangevoerd dat het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de IOAW niet van toepassing is in haar situatie. Haar drie kinderen zijn allen meerderjarig. Gelet op de onder 2 genoemde uitspraak van de Raad van 21 maart 2006 moet het echter gaan om minderjarige kinderen. De Raad heeft in die uitspraak terecht aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip kind in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b (thans: c), van de IOAW.
4.3.2.
Anders dan de Raad in zijn hiervoor genoemde uitspraak van 21 maart 2006 heeft geoordeeld en met de rechtbank is de Raad thans van oordeel dat gelet op het onder 2 genoemde arrest van de Hoge Raad de toepassing van het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de IOAW niet beperkt is tot de situatie dat het desbetreffende kind nog minderjarig is. Verwezen wordt naar de onder 2 vermelde overwegingen van de rechtbank. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.
4.3.3.
In zijn arrest van 25 september 2009 verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van Advocaat-Generaal Van Ballegooijen (AG) van 28 januari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH2580, en bevestigt hij de slotsom van de AG. De Raad sluit zich hierbij aan. Het betreft in het bijzonder de volgende onderdelen van de conclusie:
“5.1 […] De CRvB zoekt in de […] uitspraak [van 21 maart 2006] voor de uitleg van het woord kind in artikel 3, lid 4, onderdeel b, Wwb gedeeltelijk aansluiting bij de definitie van het begrip kind in de IOAW en de IOAZ. De definitie van het begrip kind in artikel 4, onderdeel d, Wwb behelst, anders dan de definities van kind in de IOAW en IOAZ, geen leeftijdsgrens en ook niet de voorwaarden die verband houden met de vraag tot wiens huishouden het kind behoort en met het (kunnen) ontvangen van kinderbijslag. De aansluiting van de CRvB komt mij onjuist voor. Niet alleen omdat de aansluiting bij de IOAW en IOAZ (moeilijk verklaarbaar) gedeeltelijk is, maar ook omdat in de tekst van de Wwb geen leeftijdsgrens voorkomt en in de parlementaire geschiedenis geen aanknopingspunt is te vinden voor een beperking tot minderjarige kinderen. Het gaat in onderdeel b niet om de leeftijd van het kind, maar om de relatie tussen de ouders die tot de geboorte of de erkenning van een kind aanleiding geeft.
5.2
De wetgever heeft nagenoeg gelijkluidende onweerlegbare rechtsvermoedens in een aantal sociale wetten geïntroduceerd in het kader van harmonisatie van regelgeving. Dan ligt het niet voor de hand dat, afhankelijk van de definitiebepaling van kind in de verschillende wetten, het onweerlegbare rechtsvermoeden in de ene wet zus en in de andere wet zo wordt uitgelegd. Het begrip kind in onderdeel b moet daarom eenduidig worden uitgelegd in deze wetten. De bepaling inzake het onweerlegbare rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding - in het geval uit de relatie een kind is geboren - vraagt naar mijn mening om een eigen uitleg van het begrip kind, om een uitleg die past in de context van dat rechtsvermoeden. Het feit dat de wetgever het kennelijk niet nodig heeft geacht een definitiebepaling in de AOW op te nemen, duidt mijns inziens eveneens op deze zienswijze. […]
5.5
Ik kom tot de slotsom dat het rechtsvermoeden in onderdeel b letterlijk moet worden opgevat.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2019.
(getekend) W.H. Bel
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.