Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2019-08-28
ECLI:NL:CRVB:2019:2850
Bestuursrecht
17/1231 Wajong Datum uitspraak: 28 augustus 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 3 januari 2017, 16/2105 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Namens appellante heeft mr. S.G. Blasweiler, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2019. Voor appellante is mr. Blasweiler verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019. (getekend) E.W. Akkerman (getekend) H. Achtot IvR 1.1. Bij besluit van 9 februari 2007 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 17 januari 2007 een uitkering toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). 1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding op 13 november 2015 dat appellante sinds vijf jaar in Turkije zou wonen, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar mogelijk door appellante gepleegde uitkeringsfraude. Er is dossieronderzoek verricht, er zijn bankgegevens opgevraagd en er heeft een onderzoek van de bankafschriften plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 december 2015. Daarin is onder meer geconcludeerd dat appellante sinds 2 november 2011 in Turkije woonachtig is, zonder dat zij het Uwv hierover heeft geïnformeerd. Bij besluit van 8 december 2015 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 2 november 2011 ingetrokken (primair besluit 1). Bij besluit van eveneens 8 december 2015 heeft het Uwv de over de periode van 2 november 2011 tot en met 31 december 2015 betaalde uitkering tot een bedrag van € 58.705,20 van appellante teruggevorderd (primair besluit 2). Bij besluit van 13 januari 2016 (primair besluit 3) heeft het Uwv appellante met ingang van 1 januari 2016 weer in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering. 1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3. Bij besluit van 2 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante gegrond verklaard en de primaire besluiten 1, 2 en 3 herroepen. Verder heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante over de periode van 2 november 2011 tot en met 25 november 2015 buiten Nederland heeft gewoond, zodat de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 1 december 2011 wordt ingetrokken en het recht op de Wajong-uitkering per 1 december 2015 herleeft. De door appellante ontvangen Wajong-uitkering over de periode van 1 december 2011 tot en met 30 november 2015 wordt teruggevorderd tot een bedrag van € 56.686,75. Verder is in het bestreden besluit opgenomen dat hiervoor met appellante reeds een betalingsregeling is afgesproken van € 25,- per maand. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. Dat het onderzoek slechts vijf dagen in beslag heeft genomen, maakt dit niet anders. Uit de pintransacties van de aan appellante verstrekte betaalpas is gebleken dat tussen 2 november 2011 tot en met 25 november 2015 slechts op enkele dagen in Nederland is gepind en dat voor het overige in Turkije is gepind. Niet aannemelijk is dat appellante haar betaalpas aan haar in Turkije wonende partner heeft verstrekt en ook niet aannemelijk is dat haar verblijf in Turkije telkens kortdurend was. Uit de pintransacties blijkt volgens de rechtbank eerder het tegenovergestelde, zodat het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat appellante in de periode van 2 november 2011 tot en met 30 november 2015 in Turkije verbleef. Zij had daardoor in die periode geen recht op een Wajong-uitkering. Als gevolg daarvan heeft het Uwv in die periode aan appellante onverschuldigde betalingen gedaan, zodat het Uwv verplicht was over te gaan tot terugvordering. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat het Uwv zou hebben nagelaten om in bezwaar opnieuw te beslissen over de terugvordering. In het bestreden besluit is immers een nieuwe periode vastgesteld vanaf wanneer de Wajong-uitkering van appellante wordt ingetrokken, vanaf wanneer het recht op een Wajong-uitkering herleeft en waarover de kosten van ten onrechte uitbetaalde uitkering van appellante worden teruggevorderd. Dat heeft ook geresulteerd in een lager terugvorderingsbedrag. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv ten onrechte geen nieuwe besluiten heeft genomen nadat haar bezwaren bij het bestreden besluit gegrond zijn verklaard. Verder heeft appellante herhaald dat uit de pintransacties niet kan worden afgeleid dat zij in de periode van 2 november 2011 tot en met 30 november 2015 in Turkije heeft gewoond. Wel heeft zij daar in deze periode steeds kortdurend verbleven. De rechtbank is voorts ten onrechte niet ingegaan op de gronden die appellante in beroep heeft aangevoerd, waarbij zij heeft verwezen naar de in bezwaar aangevoerde gronden. Meer in het bijzonder heeft appellante aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Vanwege haar persoonlijkheidsstoornis kan van appellante niet worden verwacht dat zij in redelijkheid had kunnen beseffen dat zij haar kortstondige verblijven in Turkije had moeten melden. In dit verband heeft appellante een beroep gedaan op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec) en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat zij nimmer het bedrag van € 56.686,75 zal kunnen terugbetalen en dat als gevolg van de terugvordering haar en haar gezin alle kansen worden ontnomen om voor lengte van jaren in een betere financiële positie te geraken. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. In geschil is of appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het Uwv niet te melden dat zij in de periode van 2 november 2011 tot en met 30 november 2015 buiten Nederland is gaan wonen, waardoor zij ten onrechte in deze periode een Wajong-uitkering heeft ontvangen. 4.1.1. Op grond van artikel 3:74 van de Wajong is de jonggehandicapte verplicht om aan het Uwv onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering. 4.1.2. Op grond van artikel 3:18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Wajong trekt het Uwv een besluit tot toekenning van Wajong-uitkering onder andere in indien het niet nakomen van de inlichtingenverplichting van artikel 3:74 van de Wet Wajong ertoe heeft geleid dat ten onrechte een uitkering is verleend. 4.1.3. Op grond van artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet Wajong eindigt het recht op een Wajong-uitkering met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. 4.1.4. Op grond van artikel 1:3 van de Wajong wordt waar een natuurlijk persoon woont naar de omstandigheden beoordeeld. 4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. De enkele omstandigheid dat het onderzoek slechts vijf dagen in beslag heeft genomen is geen aanleiding hier anders over te oordelen. 4.3. Niet in geschil is dat uit de bankafschriften van appellante blijkt dat in de periode van 2 november 2011 tot en met 30 november 2015 uitsluitend tussen 28 april 2013en 1 mei 2013, op 25 en 26 februari 2015 en tussen 26 en 30 november 2015 pintransacties in Nederland hebben plaatsgevonden. Voor het overige hebben de pintransacties uitsluitend in Turkije plaatsgevonden. Verder staat vast dat aan appellante maar één betaalpas is uitgereikt, zodat het niet anders kan zijn dan dat de pintransacties met de betaalpas van appellante zijn gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv hieruit terecht heeft geconcludeerd dat appellante in de periode van 2 november 2011 tot en met 30 november 2015 in Turkije verbleef. Voor deze conclusie wordt voorts steun gevonden in een bericht dat door appellante is ondertekend en is gericht aan de Rabobank, gedateerd 26 september 2011.