Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-07-24
ECLI:NL:CRVB:2019:2444
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,389 tokens
Inleiding
174005 WIA
Datum uitspraak: 24 juli 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
25 april 2017, 16/2794 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. L.L. Ross, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L. Boon, kantoorgenoot van mr. Ross. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
Overwegingen
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster customer support voor
40 uur per week. Op 13 maart 2014 heeft appellante zich ziek gemeld wegens psychische klachten. Naderhand zijn hier vermoeidheidsklachten, een voedselallergie en rugklachten bijgekomen.
1.2.
In het kader van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar heeft appellante wel belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 januari 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 81,70% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 28 januari 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan omdat appellante met ingang van 10 maart 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat geen reden bestaat om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend onderzoek had moeten verrichten. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistenties bevat of onvoldoende is gemotiveerd.
2.2.
De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien te oordelen dat de belastbaarheid van appellante onjuist is ingeschat. Door de verzekeringsartsen van het Uwv is afdoende gemotiveerd op welke wijze de medische problemen van appellante zijn vertaald naar beperkingen zoals weergegeven in de FML van 4 januari 2016. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de door appellante overgelegde brieven van haar (voormalig) behandelend psychiater geen – innerlijk consistente – en medisch objectiveerbare onderbouwing geven voor de vermoeidheidsklachten van appellante. Nu de behandelend sector geen beredeneerd en concludent afwijkend standpunt over de beperkingen van appellante heeft ingenomen, heeft de verzekeringsarts op het eigen oordeel mogen afgaan. Voor het raadplegen van een onafhankelijk deskundige heeft de rechtbank geen aanleiding gezien. Van een gestelde wapenongelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat appellante verschillende mogelijkheden heeft gehad om het standpunt van de verzekeringsartsen te betwisten door het inbrengen van een contra-expertise, dan wel stukken van behandelaars. Dat laatste heeft appellante ook gedaan.
2.3.
Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat uitgaande van de juistheid van de bij appellante bestaande beperkingen geen grond bestaat voor het oordeel dat de geselecteerde functies voor appellante niet geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geschiktheid voor de voorgehouden functies volgens de rechtbank afdoende toegelicht.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Appellante is ten onrechte niet beperkt geacht op de aspecten vasthouden en verdelen van aandacht, doelmatig handelen, overige beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren, lezen en emotionele problemen van anderen hanteren. Daarnaast had er gelet op de vermoeidheidsklachten van appellante ook een urenbeperking moeten worden aangenomen. Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat de verzekeringsartsen van het Uwv er ten onrechte vanuit zijn gegaan dat de vermoeidheidsklachten van appellante niet te objectiveren zijn. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar uitslagen van bloedonderzoeken, resultaten van laboratoriumonderzoeken en informatie van de huisarts van 28 augustus 2015 en
1 maart 2016. Tot slot heeft appellante, onder verwijzing naar het arrest Korošec van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015
(ECLI:CE:ECHR:2015: 1008JUD007721212), het in beroep gestelde over schending van het beginsel van equality of arms herhaald en de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226), heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellante op het arrest Korošec is aanleiding te oordelen volgens de in die uitspraak onderscheiden stappen, namelijk allereerst of sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming, vervolgens of sprake is geweest van equality of arms tussen partijen, waarna als derde stap een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit volgt.
Zorgvuldige besluitvorming
4.2.
De rechtbank heeft met juistheid het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig geacht. De verzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur gezien en onderzocht. Daarnaast is dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante tijdens de hoorzitting gezien en heeft ook dossieronderzoek verricht, waarbij alle medische stukken uit het dossier, inclusief de in bezwaar overgelegde stukken, zijn betrokken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie opgevraagd bij de behandelaar van appellante. Van een onzorgvuldig onderzoek is dan ook geen sprake.
Equality of arms
4.3.
De kern van het beginsel van equality of arms is erin gelegen dat slechts als er evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. Appellante heeft zowel in beroep als in hoger beroep gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar standpunt te onderbouwen met medische informatie van haar behandelaars. De ingebrachte informatie is naar zijn aard geschikt om twijfel te zaaien aan het standpunt van de artsen van het Uwv. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Van een schending van beginsel van equality of arms is geen sprake, zodat hierin geen aanleiding ligt tot het benoemen van een deskundige.
De inhoudelijke beoordeling
4.4.
De rechtbank heeft met juistheid het standpunt van de artsen van het Uwv onderschreven, dat voldoende rekening is gehouden met de mentale en fysieke beperkingen van appellante op de datum in geding. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.5.
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellante zich met name wegens de vermoeidheids- en angstklachten als verdergaand beperkt beschouwt dan door het Uwv is aangenomen. Een urenbeperking van ongeveer 20 uur per week zou volgens appellante aangewezen zijn. Bevestiging voor dat standpunt ziet appellante in de informatie van de destijds behandelend psychiater en internist en in laboratoriumuitslagen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2019.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) R.H. Koopman
KS