Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-07-03
ECLI:NL:CRVB:2019:2289
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,739 tokens
Inleiding
161526 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
26 januari 2016, 14/1304 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 3 juli 2019
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J.G. Burgers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Burgers en [naam], psychiatrisch verpleegkundige en ambulant begeleider van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. C. Roele.
De Raad heeft het onderzoek heropend en informatie ingewonnen bij J.P.A. van Eck, psychiater. Op 24 september 2018 heeft Van Eck de vragen van de Raad beantwoord. Partijen hebben hierop gereageerd.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Naar aanleiding van dit verzoek van appellant heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellant heeft laatstelijk gewerkt als algemeen medewerker. Op 5 augustus 1998 is appellant uitgevallen voor zijn werkzaamheden, daarna is appellant psychisch gedecompenseerd. Een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft niet plaatsgevonden, onder meer omdat appellant dakloos is geworden. Appellant heeft tot maart 2014 een zwervend bestaan geleid. Op 13 maart 2013 heeft appellant aan het Uwv verzocht om hem met terugwerkende kracht een WAO-uitkering toe te kennen.
1.2.
Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 18 november 2013 vastgesteld dat appellant met ingang van 13 maart 2012, een jaar voor de dag van de aanvraag, geen recht heeft op een uitkering op grond van de WAO omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 28 mei 2014 (bestreden besluit), onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.
2.1.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om een deskundige in te schakelen. Psychiater Van Eck heeft in zijn rapport van 14 december 2015 geconcludeerd dat appellant meer beperkt is dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 april 2014 is vastgesteld. In reactie op het rapport van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd dat er aanleiding is om de conclusie dat bij appellant sprake is van schizofrenie van het gedesorganiseerde type, chronische PTSS en atypische pijnklachten over te nemen. De FML is aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat appellant ook uitgaande van de FML van 8 oktober 2015 in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties te vervullen.
2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu het Uwv de FML in overeenstemming met de conclusies van de deskundige heeft aangepast, de gewijzigde medische grondslag van het bestreden besluit kan worden geaccepteerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor appellant. Omdat de FML in beroep is gewijzigd heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Het Uwv is veroordeeld tot vergoeding aan appellant van zijn proceskosten en het griffierecht.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Appellant heeft er op gewezen dat sprake is van dusdanig sterk wisselende mogelijkheden, en als gevolg daarvan een dermate groot verzuimrisico, dat hij ook in zijn ‘goede’ episodes niet in staat kan worden geacht functies te vervullen. Dat geldt niet alleen voor de geduide functies, maar voor alle denkbare functies, behoudens die in een beschutte werkomgeving.
3.2.
Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 13 maart 2012.
4.2.
Om tot een oordeel te kunnen komen, heeft de rechtbank psychiater Van Eck als deskundige benoemd. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport van 14 september 2015, en de aanvulling van 24 september 2018, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft alle relevante gegevens in aanmerking genomen en is gemotiveerd tot zijn oordeel gekomen.
4.3.1.
Van belang is dat psychiater Van Eck heeft vastgesteld dat appellant lijdt aan schizofrenie van het gedesorganiseerde type. Er is volgens van Eck sprake van een episodisch voorkomen van schizofrenie, met restsymptomen tussen de episodes. Aangezien appellant zich niet kon handhaven op zijn werk, gedurende lange tijd geïsoleerd in een bos woonde en amper contact had met de buitenwereld, waarbij het weinige contact dat hij had met de buitenwereld bestond uit conflicten, heeft de deskundige in zijn rapport van 14 september 2015 geconcludeerd dat appellant tussen de episodes niet geheel herstelt. Daarbij heeft de deskundige het volgende gerapporteerd:
“Patiënten die lijden aan schizofrenie van het gedesorganiseerde type hebben over het algemeen moeite met het aangaan en onderhouden van sociale contacten. Zich isoleren en uit de weg gaan van sociale contacten is een vorm van zelfbehoud. Dit lijkt bij betrokkene ook het geval geweest te zijn toen hij zich in de bossen schuil hield en overleefde zonder deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Ik ben van mening dat dit een vorm van zelfbescherming was van betrokkene en dat hij ook toen niet in staat was redelijkerwijs betaalde arbeid te verrichten. Dit staat los van het niveau van betaalde arbeid maar heeft te maken met zijn gestoorde gedachtengang en zijn angst voor mensen en achterdocht.”
4.3.2.
Psychiater Van Eck heeft, in aanvulling op het bij de rechtbank uitgebrachte deskundigenrapport, de vraag van de Raad of op de datum in geding sprake was van een wisselende belastbaarheid bevestigend beantwoord. Van Eck heeft op 24 september 2018 het volgende gerapporteerd:
“(..) betrokkene heeft in zijn volwassen leven perioden met chaotisch gedrag, onsamenhangende spraak en inadequaat affect. Hij heeft perioden gekend waarin hij het contact met de buitenwereld uit de weg ging en het enige contact dat hij had liep uit op conflicten. In de perioden dat het relatief goed met hem gaat, blijft hij gedragsproblemen houden. Bijgevolg lukt het hem niet langer dan enkele maanden achter elkaar betaald werk te verrichten. Ik heb geen reden te veronderstellen dat deze situatie niet van toepassing was op 13 maart 2012.(...)
Het is voor mij niet mogelijk om vast te stellen of bij betrokkene een bepaalde (genoemde) functie sec een psychose in de hand werkt. Maar het fluctueren van de ernst van zijn aandoening (perioden met veel last en zeer psychotisch en perioden met minder last) maakt de kans op ziekteverzuim groot. Zo ook zijn neiging tot zelfbescherming middels sociale isolatie zoals ik in de beschouwing van mijn rapportage toegelicht heb. Immers zodra betrokkene zich terugtrekt verzuimt hij van werk.”
4.3.3.
Partijen hebben geen inhoudelijke reactie gegeven op deze conclusies van Van Eck.
4.4.
Op grond van de bevindingen en conclusies van psychiater van Eck wordt aangenomen dat appellant op de datum in geding leed aan een ernstige psychiatrische stoornis en dat appellant op grond van het bepaalde in artikel 2, vijfde lid, onder d, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten geen benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid had. Hieruit volgt dat per de datum in geding sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, zijnde de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.
4.5.
Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit in stand zijn gelaten;
- herroept het besluit van 18 november 2013;
- bepaalt dat appellant met ingang van 13 maart 2012 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 28 mei 2014;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente zoals onder 4.6 is vermeld;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal
€ 1.280,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 124,- vergoedt;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding voor immateriële schade
tot een bedrag van € 2.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2019.
(getekend) E. Dijt
(getekend) P. Boer
VC