Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-06-11
ECLI:NL:CRVB:2019:2126
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,477 tokens
Inleiding
165403 PW, 16/5404 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 juli 2016, 15/4129 en 16/368 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] en [appellante] , beiden te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 11 juni 2019
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. M.I. L’Ghdas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Svb heeft bij brief van 14 augustus 2018 naar aanleiding van de uitspraak van
26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:805, desgevraagd een nadere reactie gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellanten ontvingen ten tijde in geding een (onvolledig) ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. In aanvulling daarop ontvingen appellanten bijstand, laatstelijk van de Svb in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen
(AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.
1.2.
In het kader van een door de Svb in de periode 2013 tot en met 2019 te voeren onderzoek naar de rechtmatigheid van de AIO-aanvulling van alle AIO-gerechtigden heeft de Svb appellanten bij brief van 29 oktober 2014 verzocht hun CIN-nummers te verstrekken. Appellanten hebben de Svb op 10 november 2014 laten weten aan dit verzoek geen gehoor te willen geven. Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 31 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2015 (bestreden besluit 1), het recht op AIO-aanvulling met ingang van 1 januari 2015 ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW opgeschort. Bij besluit van 7 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 december 2015
(bestreden besluit 2), heeft de Svb de AIO-aanvulling ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten hun medewerkingsverplichting hebben geschonden door het niet verstrekken van de
CIN-nummers en dat wegens het ontbreken van deze CIN-nummers het recht op AIO-aanvulling vanaf de opschortingsdatum, 1 januari 2015, niet is vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 31 december 2014 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 1. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de termijn van opschorting, in strijd met het bepaalde in artikel 54, eerste lid, van de PW, langer dan acht weken heeft geduurd. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven, onder veroordeling van de Svb tot betaling van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellanten door het niet verstrekken van de CIN-nummers hun inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW hebben geschonden op grond waarvan het recht op AIO-aanvulling niet is vast te stellen en de Svb gehouden was het recht op de AIO-aanvulling van appellanten in te trekken.
3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 in stand heeft gelaten. Zij voeren - samengevat - aan dat de Svb niet bevoegd was de AIO-aanvulling in te trekken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de eerder genoemde brief van 14 augustus 2018 heeft de Svb de Raad laten weten dat, gelet op de uitspraken van 26 maart 2018, bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2018:805, de Svb zijn standpunt niet langer handhaaft over de intrekking van het recht op AIO-aanvulling van appellanten op grond van artikel 54, derde lid, van de PW.
4.2.
Gelet op 4.1 dient de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 in stand zijn gelaten, te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 7 mei 2015 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het besluit van 11 december 2015.
5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 512,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van
11 december 2015 in stand zijn gelaten;
- herroept het besluit van 7 mei 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het
besluit van 11 december 2015;
- veroordeelt de Svb in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 512,-;
- bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van
R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
11 juni 2019.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) R.B.E. van Nimwegen
md