Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-04-30
ECLI:NL:CRVB:2019:1472
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,347 tokens
Inleiding
18 112 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 30 april 2019
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2017, 17/3190 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. C.C. Sneper, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk ingebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sneper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L. van den Buijs.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft zich op 10 oktober 2016 gemeld voor het doen van een aanvraag op grond van de Participatiewet (PW). Op zijn aanvraagformulier heeft hij vermeld dat hij dakloos is en dat hij in [locatie] verblijft. In de basisregistratie personen (BRP) staat appellant sinds 17 mei 2016 ingeschreven op het adres [adres] , het adres van de [locatie] . Bij brief van 7 november 2016 heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam appellant uitgenodigd voor een gesprek bij de Dienst Werk en Inkomen op 18 november 2016. Daarnaast heeft deze medewerker appellant verzocht om nadere informatie over zijn verblijfplaats. Tijdens het gesprek op 18 november 2016 heeft appellant een verklaring afgelegd. Bij besluit van 21 november 2016 heeft het college appellant een voorschot van € 596,76 toegekend. Bij brief van diezelfde datum heeft het college appellant om nadere informatie verzocht. Op 29 november 2016 heeft appellant de gevraagde informatie verstrekt.
1.2.
Bij afzonderlijke besluiten van 9 december 2016 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen en het verstrekte voorschot van appellant teruggevorderd.
1.3.
Bij besluit van 2 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 december 2016 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant niet in de gemeente Rotterdam woont en dus geen aanspraak had op bijstand jegens het college.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 10 oktober 2016 tot en met 9 december 2016.
4.2.
Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandsbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.
4.3.
Appellant staat in de gemeente Rotterdam ingeschreven met een briefadres. Het college heeft zich daarom terecht onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1388) op het standpunt gesteld dat appellant niet behoort tot de doelgroep van adreslozen. De beroepsgronden die betrekking hebben op de gestelde dakloosheid van appellant slagen daarom niet.
4.4.
De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.5.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432) komt bij de vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) [thans basisregistratie personen BPR)].
4.6.
Het college heeft de afwijzing van de aanvraag met name gebaseerd op de door appellant op 18 november 2016 afgelegde verklaring, een schriftelijke verklaring van [naam 1] (X) van 29 november 2016, een telefonische verklaring van X van 8 december 2016 en schriftelijke verklaringen van [naam 2] (Y) van 25 november 2016 en van [naam 3] (Z) van 26 november 2016. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet mag worden gehouden aan zijn op 18 november 2016 afgelegde verklaring omdat hij deze verklaring niet heeft gelezen vóór ondertekening daarvan. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) geoordeeld dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis heeft. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Daartoe is van belang dat appellant zijn verklaring voor akkoord heeft ondertekend. Voorts heeft appellant een exemplaar van het gespreksverslag mee naar huis genomen. Zoals appellant ter zitting van de Raad heeft verklaard, heeft hij dit verslag ook naderhand niet meer doorgelezen. Dat appellant de verklaring niet heeft gelezen en het nu achteraf niet eens is met de inhoud daarvan komt dan ook voor zijn risico.
4.7.
De verklaring van appellant vindt voorts steun in de overige verklaringen. Appellant heeft verklaard dat hij afwisselend bij zijn neef Y en bij zijn nicht Z verbleef. Zij wonen in Rotterdam. Zijn spullen zijn op verschillende plekken bij zijn neef, nicht en bij X. Hij heeft het meest bij X verbleven. Hij is een vriend en woont in Den Haag. Het probleem is dat X samenwoont met zijn vriendin. Het is haar woning en zij wil geen adres doorgeven omdat zij geen problemen wil. Hij kan wel gebeld worden voor een verklaring. De rapporteur heeft op
8 december 2016 telefonisch contact opgenomen met X, die vervolgens heeft verklaard dat hij appellant al lang kent en voor hem als een broer is. Om die reden helpt hij hem voor zover hij kan. Aangezien hij in de woning van zijn vriendin verblijft en zelf geen hoofdbewoner is, kan hij haar adres niet opgeven in verband met haar privacy. Wel kan hij bevestigen dat het een adres in de gemeente Den Haag is. Volgens X verblijft en slaapt appellant vaak bij hem, maar wel wisselend. Dat is sinds de afgelopen twee maanden en ook daarvoor toch wel vier tot vijf dagen in de week. Als hij vroege dienst heeft, dan blijft appellant bij hem. Als hij late dienst heeft, slaapt appellant ergens anders. Z heeft verklaard dat appellant haar neef is en zo nu en dan bij haar op een opblaasbed in de woonkamer of op de bank slaapt en af en toe mee eet. Zij woont in [gemeente] . Y heeft verklaard dat appellant zijn neef is en dat hij zo nu en dan op een aerobed in de tuinkamer slaapt of op de bank en dat hij daar af en toe eet. Y woont in Rotterdam. Gelet op het voorgaande is het college terecht uitgegaan van de juistheid van de door appellant afgelegde verklaring. Appellant heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn woonplaats had in Rotterdam en daarmee dat hij aanspraak had op bijstand jegens het college en evenmin dat hij als adresloze aanspraak had op bijstandsuitkering door het college.
4.8.
Het college heeft op basis van de door appellant, Y, X en Z afgelegde verklaringen terecht geconcludeerd dat appellant in de te beoordelen periode niet in Rotterdam woonde. Uit de verklaring van X, die in Den Haag woont, blijkt immers dat appellant daar vier tot vijf dagen per week verbleef. De omstandigheid dat appellant één maal per week de fysiotherapeut in Rotterdam bezocht en hij daar zijn paspoort heeft aangevraagd, maakt niet dat hij wel in Rotterdam woonde. Omdat de afgelegde verklaringen voldoende duidelijk waren, hoefde het college geen nader onderzoek te doen naar de woonplaats van appellant, nog daargelaten dat het niet mogelijk was om een huisbezoek af te leggen in de woning van X omdat het adres niet bekend was. Appellant heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn woonplaats had in Rotterdam en daarmee dat hij aanspraak had op bijstand jegens het college en evenmin dat hij als adresloze aanspraak had op bijstandsverlening door het college.
4.9.
Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2019.
(getekend) M. Hillen
(getekend) V.Y. van Almelo
md