Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-04-12
ECLI:NL:CRVB:2019:1300
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,279 tokens
Inleiding
174069 AOW
Datum uitspraak: 12 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 mei 2017, 16/2904 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere informatie verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2019. Appellante is niet verschenen. Het Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.
Overwegingen
1.1.
De Svb heeft appellante, die is geboren [in] 1948, met ingang van [datum] 2013 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Nadien is de Svb gebleken dat appellante 100% schuldig nalatig is verklaard om de premie voor de AOW te betalen over de jaren 1969 tot en met 1980 en voor 48% over het jaar 1981. Bij besluit van 30 oktober 2015 heeft de Svb appellantes ouderdomspensioen met ingang van november 2015 herzien naar 76% van het maximale pensioen.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 15 juni 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 30 oktober 2015 gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de Svb appellante bij aangetekende brieven schuldig nalatig heeft verklaard, waarbij de Svb is uitgegaan van de juistheid van de informatie van de Belastingdienst. Niet gebleken is dat de aanslagen zijn kwijtgescholden door de Belastingdienst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aangetoond dat zij over de hier van belang zijnde jaren 1969 tot en met 1980 niet schuldig nalatig is geweest. De korting op haar ouderdomspensioen is daarom terecht toegepast.
3. Appellante heeft ook in hoger beroep naar voren gebracht dat zij geen brieven over schuldig nalatig zijn van de Svb heeft ontvangen en dat zij in de jaren 1969 tot en met 1980 geen inkomen had waarover zij premie verschuldigd zou zijn.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1.
In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de Svb en de rechtbank ten onrechte verwijzen naar de bepalingen omtrent schuldig nalatig zijn in de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Zie in dit verband de uitspraak van de Raad van 11 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1753. De Wfsv is eerst op 1 januari 2006 in werking getreden en werd voorafgegaan door de Wet financiering volksverzekeringen. Laatstgenoemde wet is op 1 januari 1990 in werking getreden. In de hier van belang zijnde jaren was de schuldig nalatig verklaring geregeld in artikel 33 van de AOW. In het eerste lid van het toen geldende artikel 33 van de AOW was bepaald dat indien een verzekerde nalatig is gebleven de over een bepaald jaar verschuldigde premie geheel of gedeeltelijk te betalen, de Svb, indien zij beslist dat van schuldig nalaten sprake is, betrokkene daarvan in kennis stelt.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is dat appellante de schuldig nalatig verklaringen niet heeft ontvangen. Appellante heeft verklaard dat zij indertijd woonachtig was op de adressen waar de besluiten naar toe zijn gestuurd en de Svb heeft voldoende aangetoond dat deze besluiten aangetekend zijn verzonden. Bovendien zijn deze besluiten voorafgegaan door kennisgevingen waarin appellante in de gelegenheid werd gesteld mede te delen om welke reden de betaling van de premie achterwege was gebleven. Aan deze kennisgevingen moeten nog aanslagen van de Belastingdienst vooraf zijn gegaan. Het is niet aannemelijk dat al deze berichten niet op appellantes adres zijn aangekomen. Als appellante daarvan geen kennis heeft genomen, komt dit voor haar rekening.
4.3.
Nu sprake is van schuldig nalatig verklaring van appellante over de jaren 1969 tot en met 1980, is terecht op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW een korting van 24% op haar ouderdomspensioen toegepast.
4.4.
Het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2019.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) R.P.W. Jongbloed
lh