Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-03-27
ECLI:NL:CRVB:2018:951
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,324 tokens
Inleiding
165348 PW
Datum uitspraak: 27 maart 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 augustus 2016, 15/3295 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2018. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft zich op 25 september 2014 gemeld bij het college om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aan te vragen naar de norm voor een alleenstaande, waarna zij op
27 november 2014 de aanvraag om bijstand heeft ingediend. Daarbij heeft appellante als woonadres het adres [adres] opgegeven (opgegeven adres) en op het aanvraagformulier vermeld dat zij alleenwonend is. Zij is gehuwd, maar in 2013 door haar echtgenoot verlaten. Voorts heeft appellante vermeld dat zij wordt onderhouden door haar familie. Zij heeft een handgeschreven verklaring overgelegd dat zij geld van haar broer heeft geleend en dat zij na 10 november 2014 geen geld heeft geleend.
1.2.
Omdat appellante is gehuwd, maar op het aanvraagformulier heeft vermeld dat haar echtgenoot haar heeft verlaten, hebben medewerkers van de gemeente Hoogezand-Sappemeer een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader hebben de medewerkers op 5 en 10 februari 2015 getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen aan het opgegeven adres. Er werd toen niet opengedaan. De medewerkers hebben voorts een onderzoek op internet verricht. Uit het Facebook-account van appellante blijkt dat zij een foto heeft geplaatst op 24 november 2014 met de tekst: “In Parijs”. Volgens een bericht geplaatst op 16 februari 2015 heeft zij “maandag” [naam] bezocht. Bij brief van 16 februari 2015, door een medewerker persoonlijk in de brievenbus van het opgegeven adres gedeponeerd, heeft
het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 17 februari 2015. Appellante is niet verschenen. Bij brief van 18 februari 2015, eveneens door een medewerker persoonlijk in de brievenbus van het opgegeven adres gedeponeerd, heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 19 februari 2015. Hierbij heeft het college appellante meegedeeld dat als zij zonder tegenbericht weer niet verschijnt, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en de aanvraag wordt afgewezen. Ook aan die uitnodiging heeft appellante, zonder bericht, geen gehoor gegeven. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 februari 2015.
1.3.
Bij besluit van 20 februari 2015 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat zij niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij afzonderlijk besluit van 20 februari 2015 heeft het college het verleende voorschot van € 1.600,- van appellante teruggevorderd.
1.4.
Op 23 februari 2015 heeft appellante zich opnieuw bij het college gemeld om bijstand aan te vragen, waarna zij op 9 maart 2015 de aanvraag om bijstand heeft ingediend. In het kader van deze aanvraag heeft appellante bankafschriften overgelegd. Daarnaast hebben medewerkers van de gemeente op 10 maart 2015 een huisbezoek op het opgegeven adres afgelegd.
1.5.
Bij besluit van 9 april 2015 heeft het college aan appellante met ingang van
23 februari 2015 bijstand toegekend. Tevens heeft het college een bedrag van € 750,-,
dat appellante op 3 maart 2015 op haar bankrekening had ontvangen, aangemerkt als middel als bedoeld in artikel 31 van de PW en dat bedrag in mindering gebracht op de bijstand over de maand maart 2015.
1.6.
Bij besluit van 6 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier
van belang, de bezwaren tegen de besluiten van 20 februari 2015 en 9 april 2015 ongegrond verklaard. Voorts heeft het college het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie over de maanden februari, maart en april 2015 niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden
besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op het
niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de uitkeringsspecificaties en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, voor zover het bestreden besluit is vernietigd.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze ziet op de ongegrondverklaring van
de bezwaren tegen de besluiten van 20 februari 2015 en 9 april 2015.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De aanvraag van 27 november 2014
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat het college haar eerst had moeten confronteren met het voornemen om de aanvraag af te wijzen voordat tot afwijzing werd overgegaan. Appellante verwijst naar artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat het college op grond van artikel 4:12, eerste lid, van de Awb toepassing van artikel 4:7 van de Awb achterwege heeft kunnen laten.
4.2.
In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 25 september 2014 tot en met 20 februari 2015.
4.3.
Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid
te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van
de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.4.
Voor de beoordeling van het recht op bijstand vormt de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De beroepsgrond van appellante dat het college de aanvraag ten onrechte over de gehele te beoordelen periode heeft afgewezen, omdat zij wel degelijk informatie heeft verstrekt, slaagt niet. Ondanks dat appellante wel enige informatie heeft verstrekt, bestond naar aanleiding van de aanvraag bij het college onduidelijkheid over de woon- en leefsituatie van appellante. Daartoe is van belang dat appellante bij de aanvraag heeft vermeld dat zij gehuwd is, terwijl zij bijstand voor een alleenstaande heeft aangevraagd. Verder waren er aanwijzingen dat zij op 24 november 2014 en 16 februari 2015 in het buitenland verbleef. Bij onaangekondigde huisbezoeken op 5 en 10 februari 2015 is appellante niet aangetroffen. Verder staat vast dat appellante niet heeft gereageerd op de brieven van 16 en 18 februari 2015. Door geen gehoor te geven aan deze oproepen heeft appellante niet voldaan aan de op haar rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante geen duidelijkheid heeft verschaft over haar woon- en leefsituatie en dat het recht op bijstand als gevolg daarvan over de gehele te beoordelen periode niet is vast te stellen. Gelet hierop zijn de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag, anders dan appellante stelt, niet onevenredig.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en W.H. Bel en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2018.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) J. Tuit
LO