Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-03-27
ECLI:NL:CRVB:2018:920
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,246 tokens
Inleiding
16/356 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
8 januari 2016, 15/2677 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 27 maart 2018
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. L. van Dinter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.C. Kooij.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 1 januari 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Nadat op 14 november 2013 uit Suwinet was gebleken dat appellant per 1 oktober 2013 studiefinanciering van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ontving, heeft een klantmanager, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, bij brief van gelijke datum appellant verzocht onder meer de toekenningsbeschikking van DUO in te leveren. Omdat appellant niet tijdig aan dat verzoek had voldaan, heeft het college bij besluit van 27 november 2013 het recht op bijstand met ingang van 1 november 2013 opgeschort. Via een samenloopsignaal van 23 november 2013 is vervolgens gebleken dat appellant vanaf 1 september 2013 inkomsten boven de voor hem geldende bijstandsnorm ontving. Daarop heeft het college bij besluit van
9 december 2013 de bijstand vanaf 1 september 2013 ingetrokken en de over de periode van
1 september 2013 tot en met 31 oktober 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.760,32 van appellant teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij brief van 16 december 2013 heeft een klantmanager, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, appellant in kennis gesteld van het voornemen van het college hem een boete op te leggen. Aan de voorgenomen boete ligt ten grondslag dat appellant de in 1.2 vermelde inkomsten niet binnen twee weken bij het college heeft gemeld en zich daarmee niet heeft gehouden aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Appellant is voorts in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven over de boete. Bij de brief is de rapportage gevoegd die op 16 december 2013 is opgemaakt naar aanleiding van de overtreding. Appellant heeft geen zienswijze ingediend.
1.4.
Bij besluit van 1 december 2014 heeft het college appellant een boete van € 885,- opgelegd.
1.5.
Bij besluit van 8 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2014 gegrond verklaard en de hoogte van de boete gematigd naar
€ 840,-. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat in het geval van appellant geen sprake is van opzet of grove schuld, zodat een boete van 50% van het benadelingsbedrag passend is. Nu de boete niet overeenkomstig artikel 5:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) binnen dertien weken na het opmaken van het rapport van de overtreding is opgelegd, maar wel binnen een jaar na die datum, moet de boete worden gematigd met 5%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het ziet op de hoogte van de boete, het besluit van 1 december 2014 herroepen voor zover het ziet op de hoogte van de boete en de boete die appellant aan het college dient te voldoen vastgesteld op € 800,-. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college de hoogte van de boete op grond van het in de Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet Rotterdam 2015 neergelegde beleid, dat moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid, met 10% van het benadelingsbedrag had moeten verlagen.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij het bedrag van de boete heeft vastgesteld op € 800,-.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van toepassing zijn artikel 18a van de Participatiewet (PW) en het Boetebesluit zoals deze met ingang van 1 januari 2017 luiden. Voor een weergave van de relevante uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt eveneens verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van
11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12.
4.2.
Niet in geschil is dat appellant bij het college geen melding heeft gemaakt van de in 1.2 vermelde inkomsten. Dit zijn gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Hieruit volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Gelet hierop was het college in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de PW een boete op te leggen.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat hem niet, dan wel verminderd, te verwijten is dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellant kennelijk meent, ontslaat de omstandigheid dat appellant in het kader van de bijstand heeft deelgenomen aan een leer- en werktraject bij [instantie] te [gemeente] , naar hij stelt in directe opdracht van, onder leiding van en met medeweten van de Sociale Dienst van de gemeente Rotterdam, hem niet van de verplichting de daarmee verworven inkomsten te melden aan het college. Voor zover bij appellant twijfel bestond of hij deze inkomsten moest melden, had hij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen. Hij heeft dit nagelaten.
4.4.
Nu van opzet of grove schuld niet is gebleken, is de verwijtbaarheid van appellant aan te merken als ‘gewone’ verwijtbaarheid. Daarbij is naar vaste rechtspraak (uitspraak van
23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1801) 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming van de hoogte van de boete op het aspect van de verwijtbaarheid. Niet in geschil is dat in dit geval het benadelingsbedrag € 1.760,32 bedraagt. Gelet hierop was het college in beginsel gehouden appellant een boete van € 880,16 op te leggen.
4.5.
In artikel 5:51, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien van de overtreding een rapport is opgemaakt, het bestuursorgaan binnen dertien weken na dagtekening van het rapport beslist. Het college heeft na dagtekening van de rapportage van 16 december 2013 eerst op 1 december 2014 een beslissing genomen waardoor het college deze termijn ruimschoots heeft overschreden.
4.6.
Appellant heeft aangevoerd dat het college, gelet op deze aanzienlijke overschrijding van de in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb, vermelde beslistermijn, had moeten afzien van het opleggen van een boete. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.6.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2368), is de termijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb
een termijn van orde. Overschrijding van deze termijn heeft niet tot gevolg dat de bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt. In de memorie van toelichting bij
artikel 5:51, eerste lid, van de Awb is opgenomen dat de rechter de overschrijding van
de beslistermijn wel zou kunnen verdisconteren in de hoogte van de bestuurlijke boete (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 150).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- stelt het bedrag van de boete vast op € 704,13 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de
plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 8 april 2015;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van
€ 501,-;
- bepaalt dat het college het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 124,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2018.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) C.A.E. Bon
LO