Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2018-02-21
ECLI:NL:CRVB:2018:525
Bestuursrecht
16/2346 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 april 2016, 15/2397 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 21 februari 2018 Namens appellant heeft mr. C.M.J.E.P. Meerts hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2017. Namens appellant is zijn zoon, [naam zoon], verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. De Raad heeft het onderzoek heropend en vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft op die vragen geantwoord en appellant heeft op die beantwoording gereageerd. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven en is het onderzoek gesloten. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018. (getekend) H.G. Rottier (getekend) N. Veenstra SS 1. Appellant is werkzaam geweest als timmerman. Sinds 25 november 1985 is hij in het genot van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Sinds 16 februari 1987 is appellant in WSW-verband werkzaam geweest als conciërge. In verband met de inkomsten die uit die arbeid werden verworven, is de WAO-uitkering vanaf 16 februari 1987 niet volledig uitbetaald. De korting op de WAO-uitkering is met ingang van 1 juni 2008 beëindigd en met ingang van die dag is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 25 tot 35%. 2. Op 18 december 2012 heeft appellant zich ziek gemeld voor zijn werk als conciërge. Op 27 oktober 2014 heeft hij een aanvraag gedaan om herziening van zijn WAO-uitkering. In verband daarmee heeft een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 16 december 2014 80 tot 100% bedraagt. Bij besluit van 14 april 2015 heeft het Uwv de WAO-uitkering daarom met ingang van 16 december 2014 verhoogd. Daarbij heeft het Uwv het (vervolg)dagloon gesteld op € 106,38, wat gelijk is aan het vervolgdagloon per 1 juni 2008, geïndexeerd naar 16 december 2014. 3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 april 2015. Zijn bezwaren richtten zich daarbij tegen de berekening van het dagloon. Bij beslissing op bezwaar van 28 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft overwogen dat per 16 december 2014, naar aanleiding van de ziekmelding op 18 december 2012, een tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ontstaan. Aangezien het echter wettelijk niet mogelijk is om twee arbeidsongeschiktheidsuitkeringen naast elkaar te ontvangen, is gekeken of bij de tweede arbeidsongeschiktheid van een hoger dagloon moet worden uitgegaan dan bij het eerste recht is vastgesteld. Is het tweede dagloon hoger, dan geldt voortaan het hogere dagloon. Is het tweede dagloon lager, dan wordt het oude dagloon gehanteerd. Omdat bij de berekening van een dagloon van een tweede arbeidsongeschiktheidsverzekering geen rekening mag worden gehouden met een ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering is het tweede dagloon, € 88,21, lager dan het eerste dagloon. Het eerste dagloon is daarom gehanteerd. Het is op juiste wijze geïndexeerd en vastgesteld op € 106,38. 4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de artikelen 40 en 14 van de WAO geoordeeld dat het dagloon van de uitkering die volgt uit het tweede recht (€ 88,21) lager was dan het dagloon van de al lopende WAO-uitkering (€ 106,38). In overeenstemming met de wettelijke bepalingen heeft het Uwv de voorheen ontvangen WAO-uitkering niet voor de vaststelling van het dagloon meegerekend. Ten aanzien van de indexeringen in het dagloon zag de rechtbank geen aanknopingspunten om de uiteindelijke vaststelling van het dagloon op € 106,38 voor onjuist te houden. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de regelgeving waarop het besluit is gebaseerd onrechtvaardig is, heeft de rechtbank overwogen dat zij niet bevoegd is om een wet in formele zin te toetsen aan de beginselen van behoorlijk bestuur of aan algemene rechtsbeginselen. 5.1. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het Uwv de indexering van het dagloon op een onjuiste manier heeft gehanteerd. Ten aanzien van de hoogte van het dagloon heeft appellant gesteld dat deze dermate onredelijk is dat de rechtbank had moeten afwijken van de regelgeving. Hij is uit dezelfde arbeidsongeschiktheidsoorzaak meer arbeidsongeschikt geworden en ontvangt, volgens de wettelijke berekening, minder inkomsten dan gedurende de periode dat hij minder arbeidsongeschikt was en inkomen kon verdienen door arbeid te verrichten bij de sociale werkvoorziening. Volgens appellant dient het inkomen uit het eerste recht in de dagloonberekening voor het nieuwe recht – dat het oude recht immers opslokt – te worden meegerekend. Volgens appellant kan het niet zo zijn dat in het geval van het stapsgewijs verkrijgen van een volledige uitkering deze lager uitvalt doordat het inkomen uit het eerste deel van de arbeidsongeschiktheid niet wordt meegerekend in het dagloon. In totaal genoot appellant jarenlang aan uitkering en inkomsten samen een dagloon van ongeveer € 117,- dat nu daalt naar € 106,-. Appellant heeft verzocht de onbillijke uitkomst ten gunste van hem te repareren. 5.2. Het Uwv heeft in verweer gesteld dat het dagloon op de juiste wijze is geïndexeerd en derhalve juist is vastgesteld. Om van de wettelijke regels af te mogen wijken moeten er volgens het Uwv zeer zwaarwegende redenen zijn. De onredelijkheid van de wetgeving is volgens het Uwv niet aangetoond. De enkele daling in inkomen is daartoe niet toereikend. Het Uwv heeft voorts toegelicht dat met de wijziging van artikel 40 van de WAO per 1 juli 2013 een beperking in de toepassing van het eerste lid van dat artikel is aangebracht. Er zou alleen sprake moeten zijn van een dagloonherziening als iemand naast zijn doorlopende WAO-uitkering meer verdiende dan het dagloon van zijn lopende WAO-uitkering. Daarom is thans in artikel 40, eerste lid, van de WAO geregeld dat de WAO-uitkering zelf niet meetelt voor de vaststelling van het herziene dagloon (‘alsof er geen eerste recht op WAO-uitkering bestaat’). Daarbij heeft het Uwv verwezen naar de memorie van toelichting bij de Verzamelwet SZW 2013, Kamerstukken II 2012/13, 33 556, nr 3, blz. 10 en 11. Het Uwv heeft aan de hand van enkele rekenvoorbeelden toegelicht hoe met de regeling van artikel 40, eerste lid, van de WAO eerder bestaande onbillijkheden werden weggenomen. 6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 6.1.1. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de WAO wordt voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. 6.1.2. Op grond van artikel 19aa van de WAO heeft de verzekerde geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan reeds recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft. 6.1.3. Op grond van artikel 40, eerste lid, van de WAO wordt het dagloon van de verzekerde, bedoeld in artikel 19aa, met ingang van de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ontstaan opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14, mits dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen. In afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 14 wordt bij de dagloonvaststelling, bedoeld in de eerste zin, de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet niet aangemerkt als loon. 6.2.1. In de memorie van toelichting bij de Verzamelwet SZW 2013, Kamerstukken II 2012/13, 33 556, nr 3, blz. 10 en 11 is bij de voorgestelde wijziging van artikel 40, eerste lid, van de WAO, het volgende vermeld: ‟Het is wenselijk te regelen dat het WAO-dagloon kan worden verhoogd als aan de voorwaarden voor een (nieuw) recht op WAO-uitkering is voldaan, maar dat recht niet ontstaat omdat betrokkene reeds een WAO-uitkering heeft. Het voorstel is om dat expliciet te regelen in artikel 40, eerste lid, WAO, omdat het criterium “toegenomen arbeidsongeschiktheid” tot onbillijke uitkomsten kan leiden als gevolg van de regeling van artikel 44 WAO.