Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-12-19
ECLI:NL:CRVB:2018:4305
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,406 tokens
Inleiding
17/7317 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
31 oktober 2017, 16/3125 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft [naam vader] , vader, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Namens appellante is [naam vader] verschenen, vergezeld van de cliëntondersteuner [naam] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Velema en drs. W.J.M. Peters.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
CIZ heeft appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de periode van 13 juni 2013 tot en met 12 juni 2028 geïndiceerd voor zorgzwaartepakket (ZZP) VG 07. Op grond van het overgangsrecht heeft zij met ingang van 1 januari 2015 recht op zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Voor de realisering van de geïndiceerde zorg heeft Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. haar een persoonsgebonden budget (pgb) verleend.
1.2.
Bij besluit van 26 februari 2015 heeft het college aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor de periode van 19 juni 2015 tot en met 31 december 2015, 13 uur en 30 minuten per week hulp bij het huishouden verstrekt in de vorm van een pgb.
1.3.
Bij besluit van 11 februari 2016 heeft het college de aanvraag van appellante voor verlenging van de indicatie voor hulp bij het huishouden afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het geen maatwerkvoorziening hoeft te verstrekken op grond van de Wmo 2015, nu appellante een verblijfsindicatie heeft op grond van de Wlz die wordt verzilverd door middel van een pgb. Dit pgb is opgehoogd met een bedrag voor hulp bij het huishouden.
1.4.
Bij besluit van 22 november 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat, voor zover hier van belang, de wetgever een strikte scheiding tussen de Wlz en de Wmo 2015 heeft beoogd. Wanneer aanspraak gemaakt kan worden op zorg op grond van de Wlz kan geen aanspraak meer worden gemaakt op een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015. De uitzondering van artikel 8.6a van de Wmo 2015 is niet van toepassing. Uit de gegevens die appellante in hoger beroep heeft verstrekt, blijkt niet dat appellante tevens een modulair pakket thuis (MPT) ontvangt. Het college heeft daarom op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 kunnen afzien van een verlenging en verhoging van een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp per 1 januari 2016. In het dossier zijn geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat appellante in 2015 aanvragen voor een verhoging van de indicatie, dan wel bezwaarschriften tegen de toegekende maatwerkvoorziening heeft ingediend. Ook voor het overige heeft appellante het bestaan van deze aanvragen of bezwaren niet aangetoond.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat een persoon die een pgb ontvangt op grond van de Wlz, ook in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellante stelt dat haar Wlz-zorg wordt geleverd in het kader van een MPT en dat op haar daarom de uitzonderingsbepaling van artikel 8.6a, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 van toepassing is. Zij stelt de zorgvorm behandeling te ontvangen als zorg in natura en de overige vormen van Wlz-zorg als pgb, wat volgens haar maakt dat zij een MPT heeft. Artikel 11.1.9, eerste lid, van de Wlz leidt er volgens haar toe dat dan geen recht bestaat op het schoonhouden van de woonruimte op grond van de Wlz. Appellante heeft verder aangevoerd dat het college niet heeft beslist op het bezwaar dat zij heeft gemaakt tegen het besluit van 26 februari 2015 over het verstrekken van hulp bij het huishouden. Tijdens de herbeoordeling in 2015 is geconstateerd dat het college onjuiste normeringen heeft gehanteerd bij eerdere indicatiestellingen. Deze fout in de indicatiestelling had met terugwerkende kracht moeten worden hersteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.
4.1.2.
In artikel 8.6a van de Wmo 2015 is het volgende bepaald:
Artikel 2.3.5, zesde lid, geldt tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip niet voor daar bedoelde cliënten:
a. die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd;
b. die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd;
c. die hun recht op zorg tot gelding brengen met een modulair pakket thuis en een maatwerkvoorziening inhoudende het schoonhouden van hun woonruimte hebben aangevraagd.
4.1.3.
Artikel 3.1.1, eerste lid, onder a, van de Wlz bepaalt dat de prestatie verblijf in een instelling mede het schoonhouden van de woonruimte van de verzekerde omvat.
4.1.4.
Artikel 3.3.2 van de Wlz bepaalt, voor zover van belang:
1. De Wlz-uitvoerder laat, op aanvraag van de verzekerde en onverminderd het derde, vierde en achtste lid, zorg in natura leveren zonder dat de verzekerde in een instelling verblijft, door middel van:
(…)
b. een modulair pakket thuis, bestaande uit één of meer losse vormen van zorg als bedoeld in artikel 3.1.1.
(…)
4. De Wlz-uitvoerder overlegt met de verzekerde of zijn vertegenwoordiger over de samenstelling van het modulair pakket thuis en verleent dat pakket tenzij:
a. de verzekerde of zijn vertegenwoordiger een zodanige samenstelling van het modulair pakket thuis verlangt, dat de zorg waarop de verzekerde krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen, volgens de Wlz-uitvoerder niet verantwoord of doelmatig zal kunnen worden verleend, of
b. de totale kosten ervan of, indien de verzekerde naast het modulair pakket thuis ook een persoonsgebonden budget ontvangt of wenst te ontvangen, de totale kosten van dat pakket en het budget tezamen, meer zouden bedragen dan het bedrag dat de verzekerde als persoonsgebonden budget zou worden verleend indien hij geen modulair pakket thuis zou ontvangen.
5. Voordat een besluit op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt genomen, kan de verzekerde of zijn vertegenwoordiger de Wlz-uitvoerder een persoonlijk plan overhandigen, waarin de verzekerde of zijn vertegenwoordiger de door hem beoogde samenstelling van het modulair pakket thuis schetst. De Wlz-uitvoerder brengt de verzekerde of zijn vertegenwoordiger van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen.
6. Indien de verzekerde of zijn vertegenwoordiger een persoonlijk plan als bedoeld in het vijfde lid aan de Wlz-uitvoerder heeft overhandigd, betrekt de Wlz-uitvoerder dat plan bij het nemen van het besluit op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg op grond van de Wlz.
4.3.
De grond dat appellante een beroep toekomt op artikel 8.6a, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 slaagt niet. Nu het hier gaat om een uitzonderingsbepaling op artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 ligt het op de weg van de persoon die zich daarop beroept om aannemelijk te maken dat hij zorg in natura krijgt geleverd door middel van een MPT. Appellante is hierin niet geslaagd. Uit artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz volgt dat zorg in natura door middel van een MPT wordt geleverd op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Op een dergelijke aanvraag wordt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.3.2, vijfde lid van de Wlz, door de Wlz-uitvoerder bij besluit beslist.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2018.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) G.D. Alting Siberg
TM