Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-12-13
ECLI:NL:CRVB:2018:4097
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,348 tokens
Inleiding
1882 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2017, 17/1306 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 13 december 2018
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. A.K. Ramdas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van
artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 12 november 2013 heeft het college de bijstand van appellante over de periode 1 maart 2009 tot en met 31 oktober 2013 herzien wegens niet gemelde inkomsten uit nabestaandenpensioen en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.929,16 teruggevorderd.
1.2.
Op 10 april 2016 heeft appellante een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag ingediend. Bij besluit van 9 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 januari 2017 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 36 van de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016 (Verordening). Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante niet in de gehele periode van vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2016 (referteperiode) een laag inkomen heeft gehad. Met de verzwegen inkomsten heeft appellante in de periode 1 januari 2011 tot en met
31 oktober 2013 een hoger inkomen gehad dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het college heeft tevens, met verwijzing naar de uitspraak van 28 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0479, vastgesteld dat appellante de op de periode van
1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2013 betrekking hebbende vordering van het college niet binnen de referteperiode geheel aan het college heeft terugbetaald.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het college niet heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een langdurig laag inkomen. Voor zover daarvan moet worden uitgegaan heeft het college verzuimd te beoordelen of, mede gelet op haar medische situatie, sprake is van zicht op inkomensverbetering. Ten slotte heeft appellante een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 7 van de Verordening.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In zijn uitspraken van 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3338 en ECLI:NL:CRVB:2018:3368, heeft de Raad geoordeeld dat het aan betrokkene is om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de vereisten om voor een individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Dit betekent dat de betrokkene aannemelijk moet maken dat zijn inkomen in de referteperiode niet hoger is geweest dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Ook is het is aan de betrokkene om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan het college moet beoordelen of aanleiding bestaat met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van de Verordening.
4.2.
Het college heeft in zijn bestreden besluit inzichtelijk gemotiveerd dat appellante in de referteperiode een hoger inkomen heeft gehad dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm en dat zij de op de periode 1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2013 betrekking hebbende vordering van het college niet geheel binnen de referteperiode aan het college heeft terugbetaald. Nu hieruit volgt dat het college de individuele inkomenstoeslag terecht heeft geweigerd op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij langdurig een laag inkomen heeft, is een beoordeling van de individuele situatie van appellante met betrekking tot haar zicht op inkomensverbetering dan ook niet meer aan de orde. Vergelijk de uitspraak van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1825. Appellante heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die nopen tot het oordeel dat toepassing van de Verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2018.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) J.M.M. van Dalen
md