Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-12-06
ECLI:NL:CRVB:2018:3908
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,065 tokens
Inleiding
18896 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 januari 2018, 16/5022 WIA
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 6 december 2018
Procesverloop
Verzoeker heeft gevraagd om herziening van de door de Raad op 5 januari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:192) gewezen uitspraak.
Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en:
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij de uitspraak van 5 januari 2018 waarvan herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 juni 2015 bevestigd.
3. Bij verzoekschrift van 29 januari 2018 heeft verzoeker de Raad verzocht om zijn uitspraak van 5 januari 2018 te herzien. Samengevat is het standpunt van verzoeker dat de Raad ten onrechte heeft overwogen dat de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom rond de in geding zijnde datum nog niet was gesteld. Verzoeker heeft er op gewezen dat deze diagnose bekend was bij het Uwv. Op grond van de in de vakliteratuur beschikbare medische informatie over het chronisch vermoeidheidssyndroom had het Uwv moeten concluderen dat het beoogde behandelresultaat niet haalbaar zou zijn. Verzoeker is van mening dat er sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid en dat hij dit voldoende heeft onderbouwd met de op de datum in geding bekende actuele stand van de medische wetenschap.
4. In reactie op het verzoek heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat het gestelde in het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld in artikel 8:119 van de Awb.
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak, zie ECLI:NL:CRVB:2015:1615, dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. Dit kan alleen als is voldaan aan de strikte voorwaarden van artikel 8:119 van de Awb.
5.2.
Het verzoek om herziening van 29 januari 2018 is er op gericht een discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van 5 januari 2018 en de juistheid van het besluit van het Uwv van 11 september 2015. Er is geen nieuw feit of een nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb naar voren gebracht. Daarom moet het verzoek om herziening worden afgewezen. Hieraan wordt toegevoegd dat de vraag of er op de datum in geding sprake was van chronisch vermoeidheidssyndroom niet doorslaggevend is geweest bij de beoordeling van de duurzaamheid van de – volledige − arbeidsongeschiktheid.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
6 december 2018.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) R.P.W. Jongbloed
md