Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-10-23
ECLI:NL:CRVB:2018:3423
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,430 tokens
Inleiding
165766 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juli 2016, 16/1463 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 23 oktober 2018
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. E. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met het onderzoek in de zaken 16/5767 PW en 16/6785 PW - met als partijen appellanten en het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen - plaatsgehad op 3 juli 2018, waar mr. Kaya namens appellanten is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten zijn gehuwd. Van 1 november 2007 tot 1 juli 2009 ontvingen zij, in aanvulling op een ouderdomspensioen van appellant op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), bijstand op grond van de Wet werk en bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Rijen. Vanaf 1 juli 2009 ontvingen zij van de Svb naast het AOW-pensioen van appellant - en met ingang van januari 2011 ook dat van appellante - bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling), laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
In het kader van een algemeen onderzoek naar eventueel vermogen van
AIO-gerechtigden heeft een medewerker van het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau Attaché) in opdracht van de Svb en met tussenkomst van het Internationaal Fraudebureau (IBF) een onderzoek ingesteld naar bezit van onroerende zaken van appellante in Turkije. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapportage vermogensonderzoek van 1 april 2015. Daaruit komt naar voren dat de medewerker van Bureau Attaché de website van de Turkse belastingdienst en de website van de gemeente [gemeente] heeft geraadpleegd en een bezoek heeft gebracht aan de Afdeling Onroerende Zaakbelasting (OZB) van de deelgemeente [gemeente] van de agglomeratie [agglomeratie] . Uit de aldaar verkregen informatie bleek dat op naam van appellant aangifte OZB is gedaan met betrekking tot twee appartementen op onderscheidenlijk de adressen [adres 1] (voorheen [nummer 1] ), verkregen op 16 augustus 1982, en [adres 2] (voorheen [nummer 2] ), verkregen op
24 april 1991. De medewerker van Bureau Attaché heeft vervolgens de gebouwen bezocht waarin de appartementen zijn gelegen, deze gebouwen gefotografeerd, een bij één van de gebouwen aanwezige omwonende gesproken en de appartementen laten taxeren. Het appartement met nummer [nummer 3] , is op 27 maart 2015 door een lokale makelaar getaxeerd op
€ 25.500,- en het appartement met nummer [nummer 4] op € 31.500,-, in totaal dus op € 57.000,-.
1.3.
De Svb heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluiten van
15 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 februari 2016 (bestreden besluit), de bijstand en de AIO-aanvulling van appellanten met ingang van 1 november 2007 in te trekken en de over de periode van 1 november 2007 tot en met 30 september 2015 gemaakte kosten van bijstand en AIO-aanvulling van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van
€ 14.687,05. Aan het bestreden besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten de beschikking hadden over onroerende zaken in Turkije. Door van deze onroerende zaken geen melding te maken bij de Svb hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand en AIO-aanvulling niet kan worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 november 2007 tot en met 30 september 2015.
4.2.
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellanten bevestigd dat uitsluitend in geschil is of het op verzoek van de Svb in Turkije verrichte onderzoek een niet te rechtvaardigen inbreuk op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert en, in samenhang daarmee, of het onderzoek in strijd is met de Turkse wet- en regelgeving (artikel 20 van de Turkse Grondwet en artikel 135-137 van het Turks wetboek van strafrecht). Gelet hierop is het in Turkije verrichte onderzoek volgens appellanten onrechtmatig en mogen de bevindingen daarvan niet aan de intrekking ten grondslag worden gelegd.
4.3.1.
Bij de vraag of bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, bij besluitvorming of de toetsing daarvan in een bestuursrechtelijke procedure rechtmatig mag worden gebruikt, is slechts van belang of dat bewijs naar Nederlands recht, daaronder begrepen het in Nederland geldende internationale en Europese recht, rechtmatig is verkregen. Niet bepalend is of het bewijs naar het recht van de plaats waar het is vergaard, waarop het betrekking heeft of van waaruit het afkomstig is, rechtmatig is verkregen. Voor dit oordeel wordt steun gevonden in de arresten van de Hoge Raad van 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1335, van 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8179 en van 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629.
4.3.2.
Geen regel van Nederlands recht, daaronder begrepen verdragenrecht, schrijft voor dat bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, naar Turks recht rechtmatig moet zijn verkregen. Op grond van het Nederlandse recht dient wel, indien daartoe gronden worden opgeworpen, de toets te worden aangelegd of bijvoorbeeld het gebruik van dat bewijs in strijd komt met regels van een eerlijk proces zoals beschermd door artikel 6 van het (EVRM) of privéleven, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM of anderszins indruist tegen wat van een redelijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht.
4.3.3.
In dit geval is op verzoek van een medewerker van Bureau Attaché door derden informatie gegeven. Niet valt in te zien hoe appellanten daardoor een eerlijk proces wordt ontnomen, nu zij de mogelijkheid hebben dit bewijs met tegenbewijs te bestrijden. Appellanten hebben in de loop van de onderhavige procedure van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt door gegevens in te brengen over de waarde van de appartementen.
4.3.4.
Ook anderszins kan niet worden gezegd dat gebruik van bewijs, dat op verzoek van en aan personen, werkzaam bij of voor de Svb is verkregen, zozeer indruist tegen wat van een redelijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De enkele omstandigheid dat de afgifte van dat bewijs naar Turks recht onrechtmatig zou zijn, is, wat daarvan zij, daartoe onvoldoende.
4.3.5.
Voor zover in de gronden besloten ligt dat (organen) van de Nederlandse staat in strijd handelen met regels van het volkenrecht zonder toestemming van de Turkse autoriteiten of in strijd met het Turks recht onderzoek te doen naar inkomen en vermogen van appellanten, kan dat appellanten niet baten, omdat die regels van volkenrecht niet de belangen van appellanten beogen te beschermen maar die van de Turkse staat. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629.
4.4.1.
Artikel 8 van het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
4.4.2.
Vaststaat dat de gehanteerde onderzoeksmiddelen een inbreuk vormden op het recht op respect voor het privéleven van appellanten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2018.
(getekend) M. Hillen
(getekend) J. Tuit
IJ