Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-10-25
ECLI:NL:CRVB:2018:3353
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,881 tokens
Inleiding
167809 WIA
Datum uitspraak: 25 oktober 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
11 november 2016, 16/714 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. N.J.M. Kammers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2018. Namens appellante is verschenen mr. C.A. Offermans, advocaat, als opvolgend gemachtigde van mr. Kammers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.
Overwegingen
1.1.
Appellante is werkzaam geweest als verkoopmedewerkster voor 20 uur per week. Op
2 februari 2010 is zij uitgevallen ten gevolge van depressieve klachten en een PTSS. Na afloop van de wachttijd is bij besluit van 5 januari 2012 vastgesteld dat appellante met ingang van 30 januari 2012 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 30 mei 2013 recht heeft op een
WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op eveneens 100%. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van
29 november 2013 ongegrond verklaard.
1.2.
In juni 2015 heeft de verzekeringsmaatschappij van de ex-werkgever van appellante om een herbeoordeling verzocht. In het kader van deze herbeoordeling is appellante op 23 juli 2015 op het spreekuur van een arts van het Uwv onderzocht, die in een rapport van dezelfde datum tot de conclusie is gekomen dat appellante beperkingen heeft als gevolg van psychische en lichamelijke klachten. Deze beperkingen heeft hij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juli 2015, waarin onder meer een urenbeperking van gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en gemiddeld ongeveer 20 uur per week is opgenomen. Vervolgens is een arbeidsdeskundige in een rapport 8 september 2015 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk van verkoopmedewerkster maar nog wel geschikt voor een viertal andere functies. Op grond van de drie functies met de hoogste lonen heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 11 september 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 12 november 2015 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Tegen het besluit van 11 september 2015 heeft appellante bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij gesteld dat het medisch onderzoek van het Uwv niet zorgvuldig is geweest omdat geen actuele informatie is opgevraagd bij de behandelende sector. Voorts heeft zij gesteld dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Zij heeft eveneens gesteld, onder verwijzing naar een verklaring van 24 juli 2015 van haar behandelend psycholoog H.J. Pelzer, dat er thans geen behandeling mogelijk is en dat, zo lang dat niet het geval is, zij niet in staat is te werken.
1.4.
In overeenstemming met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van respectievelijk 20 januari 2016 en 1 februari 2016 heeft het Uwv bij besluit van 2 februari 2016 het door appellante tegen het besluit van
11 september 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
In beroep heeft appellante herhaald dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft zijn oordeel uitsluitend gebaseerd op dossiergegevens uit 2011 en 2013 en heeft geen recente informatie opgevraagd uit de behandelende sector. Voorts heeft zij er op gewezen dat de verzekeringsarts T.J.M. Kuipers in een eerder rapport van 29 juli 2013 tot de conclusie is gekomen dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft. Sindsdien is haar gezondheidssituatie niet verbeterd. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij een verklaring van 5 oktober 2016 van haar huisarts ingebracht waarin is gesteld dat appellante thans onder behandeling is in verband met een zware depressie en dat de voorgeschreven medicatie nog niet het gewenste effect heeft. Tevens heeft appellante gesteld dat de geselecteerde functies niet geschikt voor haar zijn omdat te weinig beperkingen zijn vastgesteld.
2.2.
Het Uwv heeft in beroep een rapport van 22 april 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd waarin is gereageerd op de gronden van appellante.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze, volledig en ook overigens conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld, heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft zich tevens kunnen verenigen met de voor appellante vastgestelde FML waarbij in overweging is genomen dat appellante geen medische informatie heeft ingebracht die aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de voor haar vastgestelde belastbaarheid. Hierbij heeft de rechtbank in overweging genomen dat er ten tijde hier in geding bij appellante geen sprake was van het gebruik van antidepressiva voor een zware depressie. Het vorenstaande heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante, rekening houdend met haar beperkingen, in staat moet worden geacht om de voor haar geselecteerde functies te vervullen. Voor een onderzoek door een deskundige heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.
4. In hoger beroep heeft appellante haar gronden herhaald. Uit de omstandigheid dat zij ten tijde hier van belang geen antidepressiva slikte heeft de rechtbank ten onrechte de conclusie getrokken dat er op dat moment geen sprake was van een (zware) depressie. Dat wel sprake was van een (zware) depressie, blijkt wel uit de voormelde brief van Pelzer en de door appellante in beroep overgelegde verklaring van haar huisarts.
5. De Raad komt tot het volgende oordeel.
5.1.
Beoordeling
5.4.
Gelet op de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2018.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) S.L. Alves
IJ