Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-10-24
ECLI:NL:CRVB:2018:3318
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,544 tokens
Inleiding
167558 WIA
Datum uitspraak: 24 oktober 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
1 november 2016, 16/3959 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. G.T.J. Bos hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2018. Namens appellante zijn mr. Bos en [naam] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
W.H.M. Visser.
Overwegingen
1.1.
Appellante was laatstelijk voor 17,93 uur per week werkzaam als productiemedewerkster bij [naam bedrijf]. Op 7 oktober 2013 heeft zij zich ziek gemeld. Zij heeft een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellante sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek en heeft de hiermee verband houdende beperkingen voor het verrichten van arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 oktober 2015. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv geconcludeerd dat appellante per einde wachttijd, 5 oktober 2015, zowel geschikt was voor de maatgevende arbeid als voor gangbare arbeid, waarvan passende functies zijn geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 10 november 2015 vastgesteld dat appellante per
5 oktober 2015, datum in geding, niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering omdat zij geschikt is voor haar eigen werk en dat zij ook met de voor haar geselecteerde functies minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 20 april 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van
appellante tegen het besluit van 10 november 2015 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 februari 2016 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 april 2016 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest en dat geen aanleiding bestaat de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellante in twijfel te trekken. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht die twijfel zaaien over de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Appellante is volgens de rechtbank medisch gezien in staat de geselecteerde functies te vervullen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet in staat is om te werken omdat zij lichamelijke en psychische klachten heeft. Zij heeft hiervoor verwezen naar gegevens van F. Oppenhuizen, huisarts, G.J. de Haan, neuroloog, M. Edrisi, psycholoog, G. Akpinar, psycholoog, P.A.C.A. Beentjes, arts SEH, K. Fokkelman, neuroloog, H.L. Hamburger, neuroloog, en L.H. Savalle, cardioloog. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende oog heeft gehad voor de stelling van de vertegenwoordiger van de werkgever op de zitting van de rechtbank dat de wegrakingen bij appellante de laatste tijd dat zij werkte verergerd zijn. Tevens is ter zitting naar voren gebracht dat appellante op basis van de redelijkheid en de billijkheid in aanmerking zou moeten komen voor een WIA-uitkering.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Beoordeling
4.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er voor appellante geen verlies aan verdienvermogen is ontstaan per 5 oktober 2015. De Raad merkt hierbij op dat het Uwv aan het bestreden besluit primair ten grondslag heeft gelegd dat appellante geschikt is voor haar maatmanarbeid zijnde de functie algemeen medewerker industrie voor 17,93 uur per week in een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening. Uitgaande van de beperkingen en haar belastbaarheid als neergelegd in de FML moet appellante in staat geacht worden haar eigen werk, dat licht is en zittend wordt uitgevoerd, met ingang 5 oktober 2015 te verrichten. Aan de beoordeling van de voor appellante tevens geselecteerde functies wordt niet toegekomen.
4.3.
Voor het beroep van appellante om haar een WIA-uitkering toe te kennen op basis van de redelijkheid en billijkheid wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:730. Zoals in die uitspraak is overwogen, is de Wet WIA een wet in formele zin. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid noch om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen.
4.4.
Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) B. Dogan
GdJ