Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2018-09-19
ECLI:NL:CRVB:2018:3029
Bestuursrecht
173570 AKW, 17/5004 AKW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 29 maart 2017, 16/2454 (aangevallen uitspraak 1) en 2 juni 2017, 17/29 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 19 september 2018 Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroepen ingesteld. De Svb heeft verweerschriften ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gelijktijdig plaatsgevonden op 16 mei 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal, haar echtgenoot [naam echtgenoot] en haar zus [naam zus] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Herder, bijgestaan door H. Broekstra en P. Pel, beiden werkzaam bij CIZ. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018. (getekend) D.S. de Vries De griffier is verhinderd te ondertekenen. KS 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. De dochter van appellante is gediagnosticeerd met PDD-NOS. De zoon van appellante is gediagnosticeerd met het syndroom van Asperger en kenmerken van ADHD. 1.2. Bij besluit van 15 december 2015 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat zij vanaf het tweede kwartaal van 2016 voor haar zoon geen recht heeft op dubbele kinderbijslag. 1.3. Bij besluit van 29 april 2016 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2015, onder verwijzing naar het advies van CIZ en het daarbij gehanteerde Beoordelingskader Buk (Beoordelingskader), ongegrond verklaard. De zoon van appellante heeft geen intensieve zorg nodig en daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag. Zijn zorgscore is vastgesteld op 1 punt (op het item alleen thuis zijn), terwijl gelet op zijn leeftijd een minimale zorgscore van 3 punten vereist is. 1.4. Bij besluit van 1 juni 2016 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat zij vanaf het derde kwartaal van 2016 voor haar dochter geen recht heeft op dubbele kinderbijslag. 1.5. Bij besluit van 25 november 2016 (bestreden besluit 2) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 1 juni 2016, onder verwijzing naar het advies van CIZ en het daarbij gehanteerde Beoordelingskader, ongegrond verklaard. De dochter van appellante heeft geen intensieve zorg nodig en daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag. Haar zorgscore is vastgesteld op 0 punten, terwijl gelet op haar leeftijd een minimale zorgscore van 3 punten vereist is. 2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft kort samengevat overwogen dat de adviezen van CIZ zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze adviezen inhoudelijk niet juist zijn. De Svb heeft deze adviezen dan ook aan de bestreden besluiten ten grondslag kunnen leggen. Dat met het gehanteerde Beoordelingskader kinderen met alleen autisme-problematiek nooit in aanmerking komen voor dubbele kinderbijslag heeft appellante volgens de rechtbank niet onderbouwd. 3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat het Beoordelingskader beleid is dat door de rechter getoetst moet worden. Het Beoordelingskader stelt dermate zware eisen dat iemand met autisme zonder bijkomende andere (lichamelijke) problemen niet voor dubbele kinderbijslag in aanmerking komt. Het is veel te grofmazig om te kunnen bepalen of sprake is van intensieve zorg. Verder heeft appellante aangevoerd dat een juiste toepassing van het Beoordelingskader tot de conclusie had moeten leiden dat er ook op andere items een punt moet worden toegekend, dat haar zoon en dochter intensieve zorg behoeven en dat zij daarom voor hen recht heeft op dubbele kinderbijslag. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Op grond van artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) heeft een verzekerde voor een tot zijn huishouden behorend kind dat drie jaar is of ouder, maar nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, indien het kind is aangewezen op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen mate van intensieve zorg. 4.2. Op grond van artikel 11, eerste lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag (Buk) is van intensieve zorg als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet sprake als het een kind betreft dat zodanig ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of geestelijke aard dat de verzorging en oppassing door de ouders in ernstige mate worden verzwaard. Op grond van het tweede lid worden bij ministeriële nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld of er sprake is van intensieve zorg als bedoeld in het eerste lid. 4.3. Op grond van artikel 12, eerste lid, van het Buk wint de Svb, om te bepalen of een kind intensieve zorg behoeft, een op medische gegevens gebaseerd advies in bij CIZ, genoemd in artikel 7.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg. In het tweede lid is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de procedure alsmede de beoordelingscriteria waarop het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt gebaseerd. 4.4.1. In artikel 1 van de Regeling uitvoering dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (Regeling) is bepaald, voor zover van belang, dat in deze regeling onder advies wordt verstaan, een op medische gegevens gebaseerd advies als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Buk. 4.4.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling kan de Svb vaststellen dat er sprake is van intensieve zorg indien het advies positief luidt. Op grond van het tweede lid, aanhef en onderdeel b, luidt het advies positief indien het kind blijkens de beoordeling van CIZ intensieve zorg nodig heeft. 4.4.3. In artikel 3, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat de beoordeling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, tot stand komt aan de hand van de volgende items: a. lichaamshygiëne; b. zindelijkheid; c. eten en drinken; d. mobiliteit; e. medische verzorging; f. gedrag; g. communicatie; h. alleen thuis zijn; i. begeleiding buitenshuis; j. bezig houden, handreikingen. In het tweede lid is bepaald dat indien het CIZ oordeelt dat er sprake is van een zware zorgbehoefte op een item, het CIZ op dit item een punt toekent. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, behoeft het kind intensieve zorg als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, indien het 10–17 jaar is en het CIZ minimaal 3 punten toekent. 4.5. CIZ hanteert bij de beoordeling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling, het Beoordelingskader. Hierin is bij ieder item als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling uitgewerkt wanneer een punt wordt toegekend. Verder is bij ieder item vermeld wanneer geen score wordt toegekend. 4.6. Ter zitting van de Raad is gebleken dat de Svb ook zelf het Beoordelingskader tot uitgangspunt neemt en nadat het heeft vastgesteld dat een advies van CIZ op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en concludent is, zich achter het advies van CIZ schaart. 4.7. Het Beoordelingskader kan naar het oordeel van de Raad niet als een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden aangemerkt, omdat het niet op de daarvoor in artikel 3:42 van de Awb genoemde wijze bekend is gemaakt. Wel is het Beoordelingskader, gelet op 4.6, aan te merken als een vaste gedragslijn. 4.8. Wat appellante in algemene zin over het Beoordelingskader heeft aangevoerd, is onvoldoende voor het oordeel dat de daarin neergelegde gedragslijn in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel. Dit betekent dat het Beoordelingskader als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanspraak op dubbele kinderbijslag kan worden genomen. De beroepsgrond dat het Beoordelingskader in onvoldoende mate is toegesneden op de situatie van kinderen met autisme-problematiek en dat deze kinderen, anders dan voorheen onder de Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG), nooit in aanmerking zouden kunnen komen voor dubbele kinderbijslag, slaagt niet.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 1 — Wet tot regeling van het Militair Onderwijs bij de Landmacht
- Artikel 3 — Wet tot regeling van het Militair Onderwijs bij de Landmacht
- Artikel 2 — Wet tot regeling van het Militair Onderwijs bij de Landmacht
- Artikel 1 — Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
- Artikel 3_42 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 3 — Algemene wet bestuursrecht