Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-01-22
ECLI:NL:CRVB:2018:195
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Wraking
1,451 tokens
Procesverloop
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 september 2016, 16/486, in het geding tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (het college).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017 door een enkelvoudige kamer van de Raad. De behandeld rechter is F. Hoogendijk (behandelend rechter).
Bij brief van 19 december 2017 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter.
De behandelend rechter heeft schriftelijk meegedeeld niet in de wraking te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 15 januari 2018. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter is, zoals aangekondigd, niet verschenen.
Overwegingen
1.1.
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de behandelend rechter ter zitting herhaaldelijk de term ‘inkomsten’ in plaats van ‘omzet’ of ‘ontvangsten’ heeft gebruikt. Zij volhardde hierin ook nadat verzoeker haar had gewezen op het verschil tussen deze begrippen. Daarmee gaf zij volgens verzoeker ervan blijk dat zij al tot een oordeel was gekomen. Dit wordt volgens verzoeker bevestigd door het feit dat hem slechts tien minuten spreektijd werd gegund, terwijl het volgens hem om een ingewikkelde kwestie gaat in verband waarmee hij voorafgaand aan de zitting ook om twee uur spreektijd had verzocht.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is
(zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
3.2.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 19 december 2017 en de reactie van de behandelend rechter op het wrakingsverzoek blijkt dat de behandelend rechter ter voorlichting van verzoeker uitleg heeft gegeven over de systematiek van de Participatiewet en de daarover gevormde rechtspraak. De stellingen van verzoeker zijn door de behandelend rechter voorgehouden aan het college. Het college heeft op het standpunt van verzoeker gereageerd. De behandelend rechter heeft hierna te kennen gegeven zich te zullen beraden over hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht. Deze wijze van behandeling impliceert niet dat de behandelend rechter haar definitieve oordeel al op voorhand heeft gevormd en maakt dan ook niet dat sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat zij vooringenomen is.
3.3.
Het al dan niet honoreren van een verzoek om een langere spreektijd is een procedurele beslissing. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0580) is wraking niet bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen en kunnen deze beslissingen slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als uit de procedurele beslissing blijkt van vooringenomenheid van de rechters die deze beslissing hebben genomen. Uit het proces-verbaal van de zitting, dat ook volgens verzoeker een correcte weergave bevat van hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat de behandelend rechter uitgebreid de beroepsgronden van verzoeker heeft doorgenomen en de vragen die naar aanleiding daarvan bij haar waren gerezen aan partijen heeft gesteld. Omdat verzoeker van mening was dat de behandelend rechter hem niet op alle punten goed had begrepen, heeft zij verzoeker vervolgens in de gelegenheid gesteld om in tien minuten uit te leggen wat hij dan bedoelde. Zij heeft tevens toegelicht dat zij zich na de zitting nog zal beraden over de vraag of hetgeen bij de behandeling ter zitting naar voren is gekomen aanleiding vormt tot heropening van het onderzoek om verzoeker alsnog de gelegenheid te geven om meer uitgebreid zijn standpunt naar voren te brengen. Onder deze omstandigheden kan uit het gegeven dat de behandelend rechter de spreektijd van verzoeker vooralsnog tot tien minuten heeft beperkt, geen vooringenomenheid van de behandelend rechter worden afgeleid.
3.4.
Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om wraking van de behandelend rechter moet worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en
E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2018.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) S.L. Alves
UM