Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-06-14
ECLI:NL:CRVB:2018:1817
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
898 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 14 juni 2018
17/4818 AWBZ-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 maart 2017, 14/116 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
CIZ
Procesverloop
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 22 november 2017 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 7 juni 2018. Appellante is verschenen. CIZ heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
De uitspraak van de Raad van 22 november 2017 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 10 mei 2017. Het hogerberoepschrift is op 29 juni 2017 per fax ontvangen. Daarmee staat vast dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend.
In verzet heeft appellante te kennen gegeven dat de aangevallen uitspraak door de rechtbank is toegezonden aan haar gemachtigde, mr. R.C.A. van Niftrik. Haar gemachtigde heeft haar daarvan niet in kennis gesteld. Appellante heeft op 27 juni 2017 zelf bij de rechtbank Gelderland geïnformeerd naar de afdoening van haar zaak en haar werd meegedeeld dat op 29 maart 2017 uitspraak was gedaan. Appellante heeft daarop direct hoger beroep ingesteld. Appellante heeft betoogd dat het handelen van haar gemachtigde haar heeft belemmerd in de toegang tot de rechter en dat daardoor sprake is van schending van het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op een eerlijk proces.
Appellante heeft in verzet geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Appellante heeft de mogelijkheid gekregen om hoger beroep in te stellen tegen de aangevallen uitspraak. Er is dan ook geen aanleiding om te concluderen dat gehandeld is in strijd met het in artikel 6 EVRM gewaarborgde beginsel van een eerlijk proces is. Dat de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen niet is benut door de gemachtigde van appellante doet daar niet aan af. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1800) komt het handelen of nalaten van een persoon aan wie een betrokkene zijn belangen heeft toevertrouwd voor risico van die betrokkene.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers
LO