Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-05-16
ECLI:NL:CRVB:2018:1459
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,323 tokens
Inleiding
16/3385 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
11 april 2016, 15/3404 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 16 mei 2018
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld en schadevergoeding gevorderd.
Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Theeuwen-Verkoeijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Overwegingen
1.1.
Appellante heeft zich op 6 september 2010 ziek gemeld met schouder-, rug- en psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 3 september 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellante per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht de functies van productiemedewerker industrie, machinebediende
inpak-/verpakkingsmachine en besteller post/pakketten te vervullen. Het door appellante tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 13 maart 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 9 januari 2014 het ingestelde beroep ongegrond verklaard welke uitspraak door de Raad in zijn uitspraak van 10 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2558) is bevestigd. Aansluitend heeft zij weer WW‑uitkering ontvangen.
1.2.
Appellante heeft zich vervolgens vanuit de situatie dat zij een WW‑uitkering ontving, op 9 september 2013 ziek gemeld. Na een eerstejaars Ziektewet (ZW)-beoordeling (EZWb) is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellante op dat moment niet ten minste 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
1.3.
Hangende de toets in het tweede ziektejaar heeft appellante op 20 mei 2015 een WIA‑aanvraag ingediend. Op 23 juni 2015 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft de, in het kader van de vorige WIA‑aanvraag, opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 juni 2012 actueel geacht en zijn conclusie besproken met de ZW‑arts. Vervolgens is appellante geschikt geacht voor de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Het Uwv heeft bij besluit van 24 juni 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 29 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij weer arbeidsgeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig en deugdelijk is geweest en ook overigens voldoet aan de eisen zoals door de Raad gesteld. Uit de rapporten blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de artsen van het Uwv op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten. Voorts hebben de verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd waarom zij van mening zijn dat appellante geschikt is om, ondanks haar medische belastbaarheid zoals verwoord in de FML van 28 juni 2012, haar arbeid te verrichten. Appellante heeft haar standpunt dat zij ongeschikt is voor het verrichten van werk niet met objectief medische gegevens onderbouwd. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat appellante met ingang van 29 juni 2015 weer in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie gelijke gronden als in beroep aangevoerd.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).
4.2.
Ter zitting van de Raad heeft appellante benadrukt dat de artsen van het Uwv onvoldoende hebben gemotiveerd waarom haar belastbaarheid in juni 2015 gelijk zou zijn aan haar belastbaarheid op het moment van de WIA‑beoordeling in 2012, dit terwijl zij op het moment van de EZWb minder belastbaar werd geacht. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat haar psychische klachten zijn onderschat en dat zij niet in staat is fulltime werkzaam te zijn. Appellante ziet zich in dit standpunt gesteund door, met name, de informatie van haar behandelend psychiater van 6 januari 2015.
4.3.
Met appellante wordt geoordeeld dat de wijze waarop de besluitvorming in deze zaak tot stand is gekomen geen schoonheidsprijs verdient. Dit betekent echter niet dat hierdoor het medische onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onvoldoende zorgvuldig is en er tevens sprake is van een onvoldoende gemotiveerd besluit.
4.4.
Anders dan door appellante wordt door de Raad geoordeeld dat uit het dossier duidelijk naar voren komt waarom door de artsen van het Uwv aanleiding is gezien appellantes belastbaarheid per datum in geding gelijk te stellen aan de belastbaarheid zoals die tijdens de WIA‑beoordeling in 2012 voor appellante was vastgesteld. Uit de rapporten van de verzekeringsarts van 28 juni 2012 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 februari 2013 blijkt dat appellante in die periode naast haar fysieke klachten door een HNP L4-L5 of L5-S1 en overige gewrichtsklachten tevens psychische klachten had. Zij gebruikte medicatie vanwege onder meer depressieve klachten. Deze klachten en de daardoor veroorzaakte beperkingen zijn in de FML van 28 juni 2012, vastgesteld in het kader van de WIA‑beoordeling, meegenomen. De juistheid van deze FML is door appellante tot in hoger beroep bestreden. De Raad heeft echter met de rechtbank, in zijn uitspraak van 10 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2558, de juistheid van de FML onderschreven. Tijdens de beoordeling in het kader van de EZWb zijn wederom gewrichtsklachten (RSI schouder/bovenarm), HNP en psychische klachten (depressieve episode) vastgesteld. De sociale problematiek is gelijk aan de situatie in 2012. Zonder informatie van de behandelend sector wordt vervolgens de FML van 11 augustus 2014 vastgesteld die appellante meer beperkt acht dan de FML van 28 juni 2012. In het tweede ziektejaar vindt onderzoek plaats door een verzekeringsarts die op dat moment al aangeeft dat de FML van 11 augustus 2014 mogelijk bijgesteld dient te worden, omdat deze te beperkend is opgesteld. Om de casus verder goed te beoordelen wordt eerst informatie bij de behandelend psychiater en huisarts opgevraagd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2018.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) N. Veenstra
TM