Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-05-09
ECLI:NL:CRVB:2018:1381
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,961 tokens
Inleiding
165266 WAO, 18/962 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
4 juli 2016, 11/2013 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Staat)
Datum uitspraak: 9 mei 2018
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen hoger beroep ingesteld.
Het Uwv en de Staat hebben een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft gereageerd op het verweerschrift van de Staat.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Namens appellante is verschenen mr. Bergenhenegouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. D. de Jong. De Staat is, met bericht, niet verschenen.
Overwegingen
1. Bij besluit van 3 februari 2011 heeft het Uwv het verzoek van appellant van 19 augustus 2009 om verhoging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in verband met zijn hulpbehoevendheid afgewezen. Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2011 ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juli 2011. Hangende dat beroep heeft het Uwv bij besluit van 16 juni 2016 (bestreden besluit) de WAO-uitkering van appellant met ingang van 20 augustus 2008 verhoogd tot 85% van het dagloon. Van een bijzonder geval, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO, is volgens het Uwv geen sprake, zodat de verhoging niet eerder kan ingaan dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 12 juli 2011 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Het verzoek van appellant om vergoeding van schade die hij als gevolg van het vernietigde besluit van 12 juli 2011 heeft geleden, is door de rechtbank afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen het op 26 juni 2004, 14 september 2004 en 19 augustus 2008 onthouden van een verhoging van de WAO-uitkering en het door appellant niet tijdig betalen van de huur in 2015 onvoldoende causaal verband. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het structureel niet tijdig betalen van de huur pas elf jaar dan wel zeven jaar na de afwijzing van de verhoging van de WAO-uitkering heeft plaatsgevonden. Voor het overige heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat een concretisering en onderbouwing van de schade ontbreekt.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat onweersproken door het Uwv is gesteld dat appellant diverse malen zelfstandig aanvragen bij overheidsinstanties heeft ingediend. Bovendien werd appellant bij zijn arbeidsongeschiktheidsprocedures bijgestaan door professionele rechtshulpverleners. Daarom kan niet worden gezegd dat appellant, zo nodig met hulp van een ander, niet in staat was eerder een aanvraag om verhoging van zijn
WAO-uitkering in verband met hulpbehoevendheid in te dienen. In de omstandigheid dat het Uwv pas bij besluit van 10 juli 2009 met ingang van 22 oktober 2002 aan appellant een WAO-uitkering heeft toegekend, is ook geen reden gezien om aan te kunnen nemen dat appellant niet op 26 juni 2004 of 14 september 2004 een aanvraag had kunnen indienen.
2.3.
Ten slotte heeft de rechtbank vastgesteld dat in beroep de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is afgewezen. In aanmerking genomen dat bij uitspraak van de rechtbank van 1 juli 2016 (07/2155 en 08/2657) voor die beroepsprocedures een schadevergoeding is toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van 51 maanden, terwijl die beroepen tegelijk met 11/2013 op de zitting van 22 november 2013 en 20 juni 2016 zijn behandeld, dezelfde deskundige is ingeschakeld en in de beroepen vergelijkbare rechtsfeiten en rechtsvragen spelen, heeft de rechtbank geoordeeld dat van extra spanning en frustratie door beroepsprocedure 11/2013 geen sprake is.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd betwist.
3.1.1.
Het niet tijdig betalen van de huur in 2015 is volgens appellant het rechtstreekse gevolg van het onrechtmatige besluit van het Uwv van 12 juli 2011, omdat zijn persoonlijke situatie volledig uit de hand is gelopen. Als het Uwv tijdig de WAO-uitkering van appellant had verhoogd, had de rechtbank de huurovereenkomst van appellant niet ontbonden en hem niet veroordeeld tot betaling van de kosten van de procedure.
3.1.2.
Verder heeft appellant zijn standpunt herhaald dat de verhoging van de WAO-uitkering eerder dan 20 augustus 2008 had moeten ingaan. Appellant had tot 10 juli 2009 geen uitkeringsrelatie met het Uwv en heeft vervolgens tijdig om verhoging gevraagd. Uit het in beroep op verzoek van de rechtbank uitgebrachte deskundigenrapport komt duidelijk naar voren dat appellant niet in staat was zelfstandig een administratie te voeren. Bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen heeft hij hulp nodig. Geregeld zijn handreikingen door derden nodig. Ook hieruit blijkt dat appellant niet eerder een aanvraag om verhoging van zijn WAO-uitkering kon indienen.
3.1.3.
Over de afwijzing van het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft appellant naar voren gebracht dat iedere procedure een ander feitencomplex heeft met andere rechtsvragen. Hierdoor heeft appellant ook extra frustratie en schade geleden. Appellant heeft er op gewezen dat de rechtbank uitsluitend in één beroepsprocedure (over de bruikleenauto) een schadevergoeding op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft toegekend. Volgens appellant gaat het daarbij om een heel ander feitencomplex en een volledig andere materie.
3.2.
Het Uwv en de Staat hebben bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het verzoek om vergoeding van materiële schade als gevolg van het onrechtmatige besluit van 12 juli 2011
4.1.
Bij verstekvonnis van 2 september 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland, voor zover van belang, de huurovereenkomst van appellant en zijn verhuurder ontbonden met veroordeling van appellant in de kosten van de procedure (griffierecht, exploitkosten, informatiekosten en salaris van de gemachtigde). Als het Uwv geen onrechtmatig besluit had genomen en zijn WAO-uitkering tijdig had verhoogd, zo heeft appellant betoogd, was het nooit tot die kostenveroordeling gekomen.
4.2.
Voor zover het betoog van appellant zo begrepen moet worden dat hij als gevolg van het onrechtmatige besluit van 12 juli 2011 over onvoldoende middelen heeft beschikt om zijn lasten te voldoen, waaronder huurpenningen, gaat het om schade als gevolg van vertraging in de voldoening van een geldsom. Dat geldt ook voor de onder 4.1 genoemde kosten. De vergoeding van deze schade is gefixeerd op de wettelijke rente (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1306). Het Uwv heeft de wettelijke rente al betaald en over de hoogte daarvan bestaat geen geschil. Voor een verdergaande schadevergoeding door vertraging in de voldoening van de verhoging van de WAO-uitkering bestaat dan ook geen aanleiding. Gelet hierop heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen.
De ingangsdatum van de verhoging van de WAO-uitkering
4.3.1.
Artikel 22 van de WAO luidt:
“Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de betrokkene in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, verkeert, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste 100/108 maal zijn dagloon of zijn vervolgdagloon verhoogd. Het bepaalde in de vorige volzin vindt geen toepassing, indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen.”
4.3.2.
Artikel 35 van de WAO luidt:
“1.
Beoordeling
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.7.
Als de redelijke termijn is overschreden, moet voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief worden gehanteerd van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden. In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, moet in dit verband worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Als hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van
€ 500,- per half jaar gehanteerd (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overwegingen 3.10.1 en 3.10.2).
4.8.
Het onder 2.3 weergegeven oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Het beroep van appellant over de verhoging van de WAO-uitkering is door de rechtbank gezamenlijk behandeld met andere procedures van appellant. In al die procedures stond – zoals uit diverse brieven van appellant in beroep en hoger beroep ook naar voren komt – de erkenning van de aandoening van appellant centraal, alsmede de door appellant gestelde noodzaak dat van overheidswege voor die aandoening op grond van de diverse wettelijke regelingen hulp en compensatie diende te worden geboden. De onderwerpen van deze procedures staan – in hoofdzaak – niet in een zo verwijderd verband tot elkaar dat aannemelijk is dat door het onderhavige beroep extra spanning en frustratie bij appellant is veroorzaakt. De rechtbank heeft zich daarom terecht beperkt tot de constatering dat in deze procedure sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om vergoeding van immateriële schadevergoeding is terecht afgewezen.
4.9.
Uit 4.1 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) M.A.A. Traousis
IvR