Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-04-25
ECLI:NL:CRVB:2018:1225
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,319 tokens
Inleiding
163851 ZW
Datum uitspraak: 25 april 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2016, 15/5154 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.J. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018. Voor appellante is verschenen mr. Hüsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
Overwegingen
1.1.
Appellante was werkzaam als medewerker specerijen voor 40 uur per week, toen zij zich op 1 oktober 2014 voor dit werk ziek meldde met enkelklachten. Haar dienstverband is op 1 november 2014 geëindigd. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
Op 2 april 2015 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 7 april 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van medewerker specerijen. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 2 april 2015 vastgesteld dat appellante per 7 april 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 juli 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat, gelet op de operatie aan haar linker enkel op 11 mei 2015, de verzekeringsartsen van het Uwv een te optimistisch beeld hebben gehad van haar belastbaarheid. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen informatie opgevraagd bij de behandelend sector, wat onzorgvuldig is geweest. Zij heeft daarom zelf in beroep nadere medische gegevens moeten inbrengen. Het arbeidskundig onderzoek naar de aard van haar werkzaamheden is volgens appellante onvoldoende inzichtelijk en niet toetsbaar. Daarbij komt dat de omschrijving van de werkzaamheden door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet de gebruikelijke werkzaamheden betreffen bij een soortgelijke werkgever. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad heeft appellante tevens gesteld dat haar werk was ingericht voor de doelgroep Wet sociale werkvoorzieningen en dat deze omstandigheid niet valt te scharen onder de in die rechtspraak bedoelde verlichtende omstandigheden die bij de beoordeling dienen te worden betrokken. Tot slot heeft appellante met een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec), aangevoerd dat zij, naast wat zij heeft ingebracht, niet kan beschikken over andere informatie, die naar zijn aard geschikt is om twijfel te zaaien over de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.1.2.
Gelet op de in 4.1.1 genoemde maatstaf moet voor beoordeling van de aanspraken van appellante op ziekengeld als uitgangspunt worden genomen werkzaamheden in de functie van medewerker specerijen voor 40 uur per week. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben, gelet op de rapporten van 2 april 2015 en 9 juli 2015, een voldoende duidelijk beeld gehad van de aard en de zwaarte van de werkzaamheden in deze functie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 juli 2015 waarin de functie van inpakster kruiden nader is onderzocht. Deze arbeidsdeskundige heeft uitgebreid en inzichtelijk beschreven waaruit de werkzaamheden in deze functie bestaan en heeft terecht geconcludeerd dat dit zittend inpakwerk betreft dat fysiek als licht belastend moet worden aangemerkt. De grond dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep beschreven werkzaamheden niet de gebruikelijke werkzaamheden betreffen bij een soortgelijke werkgever en dat appellante deze voorwaarden niet bij een soortgelijke werkgever kan bedingen, faalt. Op grond van vaste rechtspraak dienen bijzondere verlichtende omstandigheden niet buiten beschouwing te worden gelaten. Zoals de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 22 augustus 2016 terecht heeft opgemerkt is geen sprake van zodanig uitzonderlijk verlichtende omstandigheden dat geoordeeld moet worden dat de arbeid die zij laatstelijk feitelijk verrichtte, met inbegrip van verlichtende omstandigheden waaronder zij die arbeid verrichtte, als maatstaf voor de arbeid in de zin van de ZW moet gelden. De verwijzing van appellante naar de uitspraak van de Raad van 20 september 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3237), gaat niet op. Daar betrof het de omstandigheid van vermindering van werkzaamheden op basis van economische redenen. Dit was niet in de werkzaamheden zelf gelegen, maar in de situatie waarin de werkgever was geraakt in zijn bedrijfsvoering. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.
4.2.1.
In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Daarbij is overwogen dat de kern van het beginsel van de equality of arms erin is gelegen dat slechts als er evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. In verband met de twijfel aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de voor de betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen, moet de rechter de vraag beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. Indien op grond van het geheel aan gegevens wordt vastgesteld dat geen equality of arms tussen het Uwv en de betrokkene bestaat, zal de bestuursrechter moeten waarborgen dat dit evenwicht wordt hersteld.
4.2.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt een betrokkene in de procedure bij de bestuursrechter alle gelegenheid geboden zich – desgewenst onderbouwd met medische gegevens – te verzetten tegen het medisch oordeel van de tegenpartij. Naast de omstandigheid dat de verzekeringsarts in de bestuurlijke fase beschikte over de informatie van de behandelend orthopedisch chirurg en reumatoloog, heeft appellante in beroep ter ondersteuning van haar standpunt brieven van de behandelend orthopedisch chirurg M.W. Bloembergen met daarin opgenomen onderzoeksbevindingen, ingezonden. Hieruit volgt dat appellante in de procedure voldoende ruimte heeft gehad – die zij ook heeft benut – om medische stukken in te dienen ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar medische situatie te optimistisch heeft ingeschat. Niet kan worden gezegd dat de voorhanden zijnde medische stukken naar hun aard niet geschikt zouden zijn om twijfel te zaaien over het standpunt van het Uwv dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar laatst verrichte arbeid in de functie van medewerker specerijen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) S.L. Alves
SS