Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-04-10
ECLI:NL:CRVB:2018:1171
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,580 tokens
Inleiding
168024 PW
Datum uitspraak: 10 april 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
23 november 2016, 15/5990 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2018. Namens appellante
is mr. Arabaci verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. E.H. Siemeling.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 12 december 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
In het kader van het project “Vermogen in het buitenland” heeft het college een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft een handhavingsmedewerker van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [woonplaats] het Internationaal Bureau Fraude Informatie (IBF) verzocht onderzoek te doen naar het bezit van onroerende zaken van appellante in Turkije. Het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara heeft dit onderzoek in opdracht van het IBF uitgevoerd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 december 2014. Hieruit is naar voren gekomen dat op naam van de moeder van appellante een appartement stond geregistreerd in de gemeente [naam gemeente] (Turkije), dat de moeder van appellante is overleden en dat appellante mede-eigenaar van dit appartement is geworden. De actuele waarde van het appartement is door een lokale makelaar vastgesteld op € 26.000,-.
1.3.
De onderzoeksresultaten van het IBF zijn voor het college aanleiding geweest om appellante bij brief van 27 januari 2015 te verzoeken om voor 3 februari 2015 onder andere
gegevens te verstrekken over onder meer bezittingen, zoals een koopovereenkomst en/of een hypotheekakte van een woning in binnen- en buitenland en inkomsten uit verhuur van de eigen woning. Bij brief van 9 februari 2015 heeft appellante aan het college onder andere meegedeeld dat zij geen bezittingen heeft in het buitenland.
1.4.
Op 3 maart 2015 is appellante over de in 1.2 vermelde onderzoeksresultaten gehoord. Appellante heeft daarbij erkend dat zij mede-eigenaar is van het appartement dat voorheen op naam van haar moeder stond geregistreerd. Bij brief van 17 maart 2015 heeft het college appellante verzocht om onder andere officiële documenten met betrekking tot de erfenis (notariële akte), een huurcontract en huurbetalingsbewijzen, aangiftes onroerendgoedbelasting van de afgelopen vier jaar, een uitdraai van het kadaster van de gemeente [naam gemeente] van de afgelopen vier jaar en een eigendomsbewijs van de woning over te leggen.
1.5.
Bij besluit van 22 april 2015 (besluit 1) heeft het college – voor zover hier van belang – de bijstand van appellante met ingang van 3 februari 2015 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 3 februari 2015 tot en met 28 februari 2015 tot een bedrag van € 258,39 teruggevorderd op de grond dat appellante niet alle gevraagde informatie heeft verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
1.6.
Bij afzonderlijk besluit van 22 april 2015 (besluit 2) heeft het college – voor zover hier van belang – appellante wegens schending van de inlichtingenverplichting een boete opgelegd van € 285,39.
1.7.
Appellante heeft in bezwaar tegen voormelde besluiten een akte van eigendom, een zogeheten tapu senedi, overgelegd. Hieruit blijkt dat het appartement tot 9 september 2015 voor een derde deel stond geregistreerd op naam van appellante en dat die registratie met ingang van die datum is beëindigd vanwege de verkoop van het appartement.
1.8.
. Bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen
besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college – voor zover hier van belang – ten grondslag gelegd dat appellante niet alle gevraagde gegevens over het vermogen heeft overgelegd, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Met betrekking tot de boete stelt het college dat appellante willens en wetens niet heeft gemeld dat zij in het bezit was van onroerend goed.
2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, besluit 2 herroepen voor zover dit ziet op de verrekening van de boete en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. De rechtbank heeft – samengevat en voor zover hier van belang – overwogen dat het college terecht de bijstand van appellante heeft ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand heeft teruggevorderd. Voorts heeft de rechtbank het standpunt van het college met betrekking tot de boete onderschreven.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover die ziet op de terugvordering en de boete.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Terugvordering
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat er geen grond is voor de terugvordering omdat zij, voordat zij werd geconfronteerd met de onderzoeksresultaten, niet wist dat zij mede-eigenaar was van het appartement.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de verklaring die appellante op 3 maart 2015 heeft afgelegd volgt dat zij wist dat zij mede-eigenaar was van het appartement. Zij heeft, nadat uitgebreid met haar was gesproken over haar vermogen in de vorm van het appartement, verklaard: “U vraagt mij of ik wist dat ik het vermogen moest melden. Ja dat wist ik wel. Maar als ik moet interen dat (lees: dan) moet ik straks hotelkosten betalen, betalen jullie dat dan?” Appellante heeft bovendien tijdens dat gesprek er geen blijk van gegeven dat zij voordien niet op de hoogte was van de mede-eigendom van het appartement en daardoor was verrast. Door het college niet onverwijld en uit eigen beweging op de hoogte te stellen van de mede-eigendom van het appartement heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor zij ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen.
4.3.
Appellante heeft voorts aangevoerd dat in haar psychische en slechte financiële situatie dringende redenen zijn gelegen om van terugvordering af te zien.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Dringende redenen om van terugvordering af te zien, als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW, kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken (zie de uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952). Appellante heeft haar stelling met betrekking tot haar psychische situatie niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. In de gestelde financiële situatie heeft het college voorts geen dringende redenen hoeven zien om af te zien van gehele of gedeeltelijke terugvordering. De financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Boete
4.5.
Vaststaat dat appellante bij het college geen melding heeft gemaakt van het bezit van het appartement. Hiermee heeft zij, zoals onder 4.2 overwogen, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellante valt daarvan een verwijt te maken. Gelet hierop was het college in beginsel gehouden een boete op te leggen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze de hoogte van de boete betreft;
vernietigt het besluit van 19 oktober 2015 voor zover dat de hoogte van de boete betreft;
herroept besluit 2 van 22 april 2015 voor zover dat de hoogte van de boete betreft;
stelt het bedrag van de boete vast op € 142,69 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de
plaats treedt van het door de Raad vernietigde gedeelte van het besluit van 19 oktober 2015;
veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.002-;
bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 124,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.
(getekend) F. Hoogendijk
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
sg