Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-02-16
ECLI:NL:CRVB:2017:556
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,322 tokens
Inleiding
15/3561 AW, 15/5511 AW
Datum uitspraak: 16 februari 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
24 april 2015, 14/5298 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de korpschef van politie (appellant)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. M.J.M. van den Berg een verweerschrift ingediend en tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Suijs. Betrokkene is verschenen.
Overwegingen
1.1.
Betrokkene is als politieambtenaar aangesteld bij de voormalige regiopolitie
[regio] , thans de Eenheid [locatie] .
1.2.
Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn vastgelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782; circulaire).
1.3.
Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’. In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
1.4.
Bij de voormalige regiopolitie [regio] is het criterium van een beoordeling ‘boven de norm’ zodanig ingevuld dat 80% van de beoordeelde competenties de score uitstekend (4) moeten hebben. De bevordering is bedoeld voor politieambtenaren die bovenmatig functioneren. Daarbij is aansluiting gezocht bij het beleid ten aanzien van het bevorderen bij excellerend presteren. Een medewerker kon op basis van dit beleid eerder bevorderd worden indien zijn functioneren als uitmuntend en voortreffelijk te kwalificeren was. In het Regionaal Management Team van het voormalige korps [regio] is de norm van ‘80% uitstekend’ na overleg met de ondernemingsraad vastgesteld. Er is voor een percentage gekozen, omdat meerdere functies met een verschillend aantal competenties op grond van het loopbaanbeleid HAP II voor bevordering in aanmerking kwamen. 1.5. Betrokkene heeft in december 2012 verzocht om bevordering naar de functie van senior GGP.
1.6.
Naar aanleiding van dit verzoek is op 12 augustus 2013 een conceptbeoordeling over de periode tot en met 31 december 2012 opgesteld. In de beoordeling zijn acht competenties betrokken. De beoordelaar heeft het functioneren van betrokkene op elk van de competenties uitvoerig beschreven, resulterend in een eindscore per competentie. De beoordelaar heeft op de competenties integriteit, professionaliteit/vakmanschap, klantgerichtheid, analytisch vermogen, collegialiteit en organiseren van het werk score 4 toegekend en op de competenties eigenstandigheid en inlevingsvermogen score 3/4 (1=onvoldoende, 2=matig, 3=voldoende
en 4=uitstekend).
1.7.
Op 27 november 2013 heeft de districtschef de beoordeling vastgesteld. Uit de bij die beoordeling behorende bijlage van 26 november 2013 volgt dat de districtschef, overeenkomstig zijn voornemen hiertoe, waarop betrokkene en de beoordelaar hun zienswijze hebben gegeven, de door de beoordelaar opgemaakte conceptbeoordeling met toepassing van artikel 7, zevende lid, van het Beoordelingsreglement 2005 heeft gewijzigd. Aan die wijziging ligt ten grondslag dat de conceptbeoordeling niet in lijn is met de door dezelfde beoordelaar opgemaakte beoordeling van 10 april 2013 over grotendeels dezelfde periode, welke beoordeling (ongewijzigd) op 16 mei 2013 is vastgesteld en waartegen betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt. De districtschef heeft de door de beoordelaar toegekende scores 4 laten vervallen en vervangen door de hierna volgende kwalificaties die de beoordelaar in de beoordeling van 10 april 2013 heeft gegeven: integriteit: goed, professionaliteit/vakmanschap: ruim voldoende, klantgerichtheid: ruim voldoende, analytisch vermogen: ruim voldoende, collegialiteit: goed en organiseren van het werk: goed. De scores “ruim voldoende” en “goed” komen overeen met een score 3/4, zodat alle acht competenties zijn beoordeeld met “voldoende/uitstekend”.
1.8.
Bij besluit van 19 december 2013 is afwijzend beslist op het verzoek om bevordering. Daaraan ligt ten grondslag dat de beoordeling niet voldoet aan de norm van ‘80% uitstekend’.
1.9.
Bij besluit van 26 juni 2014 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten van 27 november 2013 en 19 december 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep ongegrond verklaard, voor zover gericht tegen de handhaving van het besluit van 27 november 2013, het beroep gegrond verklaard, voor zover gericht tegen de handhaving van het besluit van 19 december 2013, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2013 gegrond verklaard, het besluit van
19 december 2013 herroepen en appellant opgedragen betrokkene te bevorderen naar de functie van Senior GGP met ingang van de datum waarop hij aan alle voorwaarden voldeed.
2.1.
Aan het oordeel over de beoordeling ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellant heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 7, zevende lid, van het Beoordelingsreglement 2005 om de door de beoordelaar opgemaakte conceptbeoordeling te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de beoordeling van 10 april 2013. Betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen de, op 16 mei 2013 vastgestelde, beoordeling van 10 april 2013, opgemaakt in het kader van het volgen van een opleiding. Appellant mocht de beoordeling in het kader van het HAP II-beleid in lijn brengen met de beoordeling van 10 april 2013, omdat de wijze van functioneren en de beoordeling die aan de verschillende competenties wordt gegeven niet afhankelijk behoort te zijn van het doel van de beoordeling. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bij het besluit van 27 november 2013 vastgestelde beoordeling onhoudbaar is.
2.2.
Aan het oordeel over de bevordering naar de functie van senior GGP ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellant heeft de grenzen van zijn beoordelingsruimte overschreden met de invulling van het criterium ‘boven de norm’. Nu niet in geschil is dat de norm ‘voldoende’ (3) is, kan een beoordeling met een eindscore hoger dan voldoende niet in redelijkheid anders worden aangemerkt dan als een beoordeling ‘boven de norm’. Het functioneren van betrokkene is op alle acht beoordeelde competenties beter dan voldoende en daarmee boven de norm beoordeeld, zodat betrokkene voldeed aan alle voorwaarden voor bevordering naar de functie van Senior GGP.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de voormalige regiopolitie [regio] een onjuiste invulling heeft gegeven aan het criterium ‘boven de norm’.
3.2.
In zijn voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft betrokkene aangevoerd dat op alle acht competenties score 4 (uitstekend) had moeten worden toegekend, zodat sprake is van een beoordeling ‘boven de norm’. De beoordelaar heeft volgens betrokkene de scores weloverwogen toegekend en bovendien duidelijk gemotiveerd waar de verschillen in de beoordelingen vandaan komen.
4.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juni 2014 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2017.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) C.A.E. Bon
HD