Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-27
ECLI:NL:CRVB:2017:4499
17/1550 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 januari 2017, 16/3101 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 27 december 2017 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2017. Appellant is zonder bericht niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen W.H.M. Visser. Het onderzoek is heropend na de zitting. Appellant heeft een aanvullend hoger beroepschrift ingediend. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft verschillende uitkeringen ingevolge de Werkloosheidwet (WW) ontvangen. 1.2. Bij besluit van 23 maart 2006 heeft het Uwv van appellant € 12.805,23 bruto teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling van een WW-uitkering over de periode van 9 juni 2003 tot en met 16 oktober 2005. 1.3. Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft het Uwv van appellant € 3.415,25 bruto teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling van een WW-uitkering over de periode van 2 januari 2006 tot en met 28 mei 2006. 1.4. Bij besluit van 3 mei 2010 heeft het Uwv van appellant € 6.094,41 bruto teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling van een WW-uitkering over de periode van 13 april 2009 tot en met 16 augustus 2009. 1.5. Bij besluit van 28 augustus 2015 heeft het Uwv van appellant € 918,55 bruto teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling van een WW-uitkering over de periode van 22 september 2014 tot en met 12 oktober 2014. 1.6. Appellant heeft ter aflossing van de onder 1.1 tot en met 1.4 genoemde teruggevorderde bedragen met het Uwv een aflossingsbedrag van € 60,- per maand afgesproken. 1.7. Bij besluit van 19 mei 2016 (primair besluit) heeft het Uwv vastgesteld dat het totaalbedrag aan door appellant te veel ontvangen WW-uitkering € 19.614,52 bedraagt. In dit besluit heeft het Uwv, naar aanleiding van een inkomens- en vermogensonderzoek, vastgesteld dat de aflossingscapaciteit van appellant € 409,96 per maand bedraagt, en dat appellant ter aflossing van zijn schuld dit bedrag per maand dient te betalen. 1.8. Het Uwv heeft op 25 mei 2016 het aflossingsbedrag van € 409,96 tot en met 31 juli 2016, tijdelijk verlaagd naar € 150,- per maand.1.9. Bij beslissing op bezwaar van 28 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2016 ongegrond verklaard. 1.10. Bij besluit van 4 mei 2017 heeft het Uwv naar aanleiding van een nieuw inkomens- en vermogensonderzoek de aflossingscapaciteit, van appellant vastgesteld op nihil. 2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in het betoog van appellant geen aanleiding gezien om de berekening van het Uwv van 28 juni 2016 onjuist te achten. Volgens de rechtbank heeft het Uwv conform artikel 475d, vijfde lid, onder a en b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rekening gehouden met de premie ziektekostenverzekering, de woonlasten en met de aflossing aan preferente schuldeiseres. De woonlasten dienen volgens de rechtbank te worden meegenomen tot aan het gemaximeerde bedrag op grond van de Wet op de huurtoeslag. Dat de woonlasten van appellant dit gemaximeerde bedrag feitelijk ver overtreffen is geen omstandigheid waar volgens de wettelijke bepalingen rekening mee dient te worden gehouden. Ook met de overige door appellant gestelde kosten, zoals voor auto, gas, water en licht, hoeft het Uwv geen rekening te houden. Deze kosten worden namelijk geacht te worden gedekt door de bijstandsnorm. Evenmin hoeft het Uwv rekening te houden met andere schuldeisers dan de Belastingdienst. Omdat het Uwv jaarlijks verpl