Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-27
ECLI:NL:CRVB:2017:4476
16 2347 WMO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 maart 2016, 15/2747 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college) Datum uitspraak: 27 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. De zaak is behandeld ter zitting op 15 november 2017. Namens appellante is mr. Smeets verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.J.M. Michels. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante, geboren in 1965, heeft beperkingen die haar belemmeren bij het zelf doen van huishoudelijke taken. 1.2. Bij besluit van 18 februari 2013 heeft het college appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) huishoudelijke hulp toegekend voor 3 uur en 40 minuten per week voor de periode van 18 mei 2013 tot 3 september 2013. 1.3. Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft het college appellante huishoudelijke hulp toegekend voor 1 uur en 40 minuten per week voor de periode van 2 september 2013 tot 8 januari 2015. Bij besluit van 18 maart 2014 is appellante wederom huishoudelijke hulp toegekend voor 1 uur en 40 minuten per week voor de periode van 18 maart 2014 tot en met 6 januari 2015. Het college heeft daarbij betrokken dat de inwonende meerderjarige zoon van appellante 2 uur per week zwaar huishoudelijk werk als gebruikelijke zorg kan leveren. De indicatie is kortdurend gesteld omdat de dochter van appellante op [datum in] 2015 de 18-jarige leeftijd zou gaan bereiken. 1.4. Naar aanleiding van een melding van appellante vanwege afloop van de indicatie heeft op 11 december 2014 een telefoongesprek plaatsgevonden tussen appellante en gemeentemedewerker [naam X] . In het leefzorgplan dat hierop is opgesteld is informatie opgenomen over onder meer de thuissituatie van appellante, haar financiële situatie en haar gezondheid. 1.5. Bij besluit van 18 december 2014 heeft het college bepaald dat appellante niet in aanmerking komt voor verlenging van hulp bij het huishouden. Omdat appellante twee inwonende kinderen heeft van 18 jaar of ouder, vervalt haar recht op huishoudelijke hulp. Deze kinderen worden geacht te participeren binnen het huishouden, per persoon te normeren naar 2 uur zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte huishoudelijke taken. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. 1.6. Op verzoek van het college heeft de MO-zaak onderzoek gedaan en op 25 maart 2015 advies uitgebracht. Bij het medisch onderzoek waren appellante en haar dochter aanwezig. In het advies is, voor zover hier van belang, geconcludeerd dat appellante belemmeringen ondervindt bij het verrichten van de huishoudelijke taken op basis van een aandoening van het bewegingsapparaat. De dochter is niet bekend met medische problematiek en ondervindt geen objectiveerbare beperkingen bij het verrichten van huishoudelijke taken. Er is geen sprake van overbelasting. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de medische situatie van de zoon, aldus medisch adviseur R. Garming. 1.7. Omdat appellante tijdens de hoorzitting op 26 mei 2015 heeft verklaard dat haar kinderen niet in staat zijn om huishoudelijke taken te verrichten, heeft het college de MO-zaak nogmaals verzocht onderzoek te doen. De MO-zaak heeft informatie opgevraagd bij de huisarts van de kinderen en advies uitgebracht op 8 juli 2015. Volgens medisch adviseur K. in ’t Veld blijkt uit de ontvangen medische informatie over de dochter dat ze sinds kort is ingeschreven in de praktijk van de huisarts en dat de huisarts haar nog niet kent. De meest recente gegevens over gewrichtsklachten staan in de brief van de reumatoloog uit 2013. Er is geen reumatische aa