Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-29
ECLI:NL:CRVB:2017:4470
15/2405 WSF, 15/2406 WSF Datum uitspraak: 29 december 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 april 2015, 14/4459 en 14/7269 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2016. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Arabaci. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. OVERWEGINGEN 1.1.1. Appellant stond van 13 oktober 2008 tot 6 januari 2014 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) ingeschreven onder het adres [adres] . 1.1.2. De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 22 oktober 2011 voor het jaar 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van 20 oktober 2012 is deze toekenning voor het jaar 2013 voortgezet. 1.2. Op 25 november 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de gba stond ingeschreven om te controleren of hij op dit adres woont. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoonster opgenomen. Van het onderzoek is op dezelfde dag een rapport opgemaakt. 1.3. Bij besluit van 21 december 2013 heeft de minister op basis van het onder 1.2 genoemde rapport de vanaf januari 2012 aan appellant toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellant vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is van appellant een bedrag van € 4.387,32 teruggevorderd. 1.4. Bij besluit van 25 juni 2014 heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.096,16. 1.5. Appellant heeft tegen de besluiten van 21 december 2013 en 25 juni 2014 bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij verklaard dat hij kort voor de controledatum in verband met bijzondere omstandigheden bij zijn oma is gaan wonen, dat hij ten tijde van de controle zijn spullen al had overgebracht en dat hij op 6 januari 2014 officieel in de gba is ingeschreven onder het adres van zijn oma. 1.6. Bij besluiten van 16 juni 2014 (bestreden besluit 1) en 13 oktober 2014 (bestreden besluit 2) heeft de minister de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 21 december 2013 en 25 juni 2014 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek op het gba-adres van appellant is gebleken dat hij niet op dat adres woonde en dat appellant heeft verklaard dat hij ten tijde van de controle niet meer op zijn gba-adres woonde. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister tot de conclusie heeft kunnen komen dat appellant ten tijde van de controle niet op zijn gba-adres woonde. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant zelf heeft verklaard dat hij kort voor de controle bij zijn oma is gaan wonen. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant erop gewezen dat de verklaring van appellant, dat hij kort voor de controle was verhuisd, is gegeven naar aanleiding van het rapport dat van het huisbezoek was opgemaakt en dat zonder dat huisbezoek voor het afleggen van een verklaring geen aanleiding zou hebben bestaan. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. De minister heeft de bij de bestreden besluiten gehandhaafde herziening en boete aanvankelijk gebaseerd op de resultaten van een onderzoek naar de woonsituatie van appellant. Dit onderzoek is verricht door twee controleurs die h