Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-29
ECLI:NL:CRVB:2017:4462
16/6185 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 augustus 2016, 16/2073 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 13 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koudijs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is vanuit een situatie dat hij uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met toestemming van het Uwv gestart als zelfstandige. In verband met de inkomsten is een te hoog bedrag aan voorschotten op grond van de WW betaald, welk bedrag is teruggevorderd. 1.2. Bij brieven van 2 september 2013 en 10 oktober 2013 heeft het Uwv appellant gevraagd het formulier Inkomens- en vermogensonderzoek in te vullen en te retourneren. Appellant heeft op deze brieven niet gereageerd. 1.3. Op 27 februari 2014 is appellant een dwangbevel gestuurd, op grond waarvan appellant een bedrag van € 3.038,99 diende terug te betalen voor 4 maart 2014. 1.4. Op 10 april 2014 heeft het Uwv beslag gelegd op de uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van appellant. Met ingang van 1 mei 2014 heeft de gemeente [naam gemeente] met inachtneming van de door Uwv vastgestelde beslagvrije voet een bedrag van € 94,82 op de maandelijkse uitkering ingehouden en aan het Uwv betaalbaar gesteld. 1.5. Bij brief van 5 augustus 2014 heeft het Uwv appellant naar aanleiding van diens verzoek om aanpassing van de beslagvrije voet wederom een formulier Inkomens- en vermogensonderzoek toegezonden. 1.6. Bij brief van 11 december 2014, door het Uwv ontvangen op 14 december 2014, heeft appellant diverse financiële gegevens overgelegd en het Uwv verzocht om aanpassing van de beslagvrije voet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015. 1.7. Bij besluit van 14 december 2015 heeft het Uwv de invordering, gezien de hoogte van de inkomsten van appellant, met ingang van 1 januari 2016 opgeschort. 1.8. Bij besluit van 9 maart 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, dat de nihil-stelling niet met terugwerkende kracht is toegepast, ongegrond verklaard. 2.1. Hangende het beroep heeft het Uwv bij besluit van 7 juli 2016 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 gewijzigd en vastgesteld dat de beslagvrije voet wordt toegepast met ingang van 14 december 2015, de datum van ontvangst van de financiële gegevens van appellant. Vanaf die datum is de invordering van de WW-uitkering opgeschort. 2.2. Appellant heeft zich niet met bestreden besluit 2 kunnen verenigen. Hij stelt zich op het standpunt dat de beslagvrije voet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 aangepast moet worden. 2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv appellant diverse malen heeft verzocht zijn inkomsten door te geven, aan welke verzoek appellant pas op 14 december 2015 gehoor heeft gegeven. Daarmee is appellant de inlichtingenverplichting van artikel 27g, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW niet of niet behoorlijk nagekomen. De door appellant genoemde reden van de late toezending, te weten dat hij zich er eerst van moest vergewissen dat alle gegevens juist waren, maakt dat volgens de rechtbank niet anders. Verder volgt uit het wettelijk kader dat, zolang de inlichtingenplicht niet is nagekomen, de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet geldt. Pas vanaf 14 december