Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-28
ECLI:NL:CRVB:2017:4456
17/3958 MAW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 april 2017, 16/9587 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Minister van Defensie (appellant) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 28 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. G.D. Maassen hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2017. Betrokkene is verschenen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Bihari-Pronk. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene is aangesteld als militair voor onbepaalde tijd bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Landmacht. Ten tijde hier van belang was hij in opleiding tot officier aan de Koninklijke Militaire Academie. 1.2. Op 1 maart 2016 is, nadat hij daartoe bepaalde trainingsdoelen had voltooid, de zogenoemde familiarisatie van betrokkene met het voertuigtype Volkswagen Amarok geregistreerd. Door deze training en registratie is betrokkene vertrouwd gemaakt en bevoegd om zelfstandig met dit type (militair) voertuig te rijden. 1.3. Op 22 april 2016, aan het einde van de tweedaagse oefening “Assembly Area Engineer” op de Lunettenkazerne, heeft betrokkene stapvoets achteruitrijdend een houten paaltje geraakt met een militair voertuig van het onder 1.2 genoemde type. Hierdoor is schade ontstaan aan dit voertuig, met name aan de bumper (het achterspatbord) rechtsachter, onder het achterlicht. 1.4. Bij besluit van 9 juni 2016 heeft appellant betrokkene met toepassing van artikel 145 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) verplicht tot vergoeding van de door de dienst geleden schade tot een bedrag van € 500,-. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de schade, ontstaan in het kader van de vervulling van de aan betrokkene opgedragen diensten en werkzaamheden, is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van betrokkene. Volgens de bij dit besluit gevoegde bijlagen bedragen de kosten van het herstel van de schade, inclusief materiaal en BTW, € 1.737,86. 1.5. Bij besluit van 21 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2016 ongegrond verklaard. Volgens appellant heeft betrokkene zich niet gehouden aan de plicht om zich in voorkomende gevallen bij het achteruitrijden te laten gidsen. Deze gidsplicht is een wijd verbreid begrip binnen Defensie. Bovendien is dit onderwerp behandeld bij de familiarisatiecursus. Verder zijn op het dashboard van het voertuig stickers geplakt waarmee de gidsplicht wordt benadrukt en is deze sticker ook geplakt op het voertuigboekje dat voor het rijden dient te worden ingevuld. Tot slot heeft betrokkene niet gecontroleerd of de weg vrij was van obstakels en heeft hij nagelaten anderszins hulp in te roepen. De door betrokkene gestelde vermoeidheid maakt dit niet anders. Er is volgens appellant sprake van opzet of bewuste roekeloosheid, zodat tot schadeverhaal wordt overgegaan. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 9 juni 2016 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de schadeveroorzakende handeling heeft plaatsgevonden tijdens de oefening op 22 april 2016, dus binnen het kader van aan betrokkene opgedragen diensten en/of werkzaamheden. Evenmin is in geschil dat schade aan het voertuig is ontstaan, doordat betrokkene stapvoets achteruitrijdend met het voertuig een houten paaltje heeft geraakt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of voldaan is aan de eis van opzet of bewuste roekeloosheid in de zin van artikel 145 eerste lid, aanhef en onder a, van het AMAR. Van een verkeersdeelnemer, zo ook een militair die een militair voertuig bestuurt, mag zonder meer worden verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende (verkeers)regels, met name wat specifiek geldt voor het voertuig d