Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-19
ECLI:NL:CRVB:2017:4452
16 4278 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2016, 15/3221 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant) de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) Datum uitspraak: 19 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant hebben mr. H.J. Breeman en mr. J. van den Brande, advocaten, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Voor appellant zijn verschenen mr. Van den Brande en mr. B. Megens, kantoorgenoot van mrs. Breeman en Van den Brande. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E. van der Kamp en ir. J. Vreugdenhil. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Bij besluit van 26 september 2014 heeft de staatssecretaris appellant op grond van artikel 69 van de Participatiewet (PW) een voorlopig budget voor de gebundelde uitkering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (gebundelde uitkering) over 2015 toegekend van € 527.341.879,-. In de toelichting op dit besluit heeft de staatssecretaris meegedeeld dat de verantwoordingscijfers over 2013 van de gemeente Rotterdam niet tijdig zijn ontvangen. De staatssecretaris heeft daarom bij de vaststelling van het budget op grond van artikel 7 van het Besluit Participatiewet (Besluit PW) gebruik gemaakt van de uitgavencijfers van 2012, waarbij gecorrigeerd is voor de ontwikkeling van het volume in de gemeente en de landelijke prijsontwikkeling. Dit gecorrigeerde cijfer is vervolgens met 5% verlaagd (correctie) op grond van het Besluit PW en artikel 6a van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ (Regeling PW). 1.2. Bij besluit van 9 april 2015 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2014 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Appellant heeft ten eerste aangevoerd dat een wettelijke basis voor de correctie ten tijde van het besluit van 26 september 2014 ontbrak, omdat de PW, het Besluit PW en de Regeling PW ten tijde van dat besluit nog niet in werking waren getreden. 4.2. Ten tijde van het besluit van 26 september 2014 gold de Wet werk en bijstand (WWB). 4.2.1. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de WWB, zoals dat luidde ten tijde van het besluit van 26 september 2014, verstrekt Onze Minister jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering om het college van middelen te voorzien met het oog op het toekennen van: “a. algemene bijstand; b. uitkeringen, als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en voor de daarbij verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet.” Op grond van het derde lid van dat artikel worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld voor de verdeling van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onder de gemeenten en het verzamelen van gegevens noodzakelijk voor het vaststellen van deze verdeling. Op grond van het vierde lid van dat artikel wordt de uitkering aan het college ten minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Minister bekend gemaakt. 4.2.2. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de PW, in werking getreden per 1 januari 2015, verstrekt onze Minister jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering om h Vanaf de aanvang van de verdeling van het budget aan de hand van een objectief verdeelmodel is het besluit waarin de regels voor de berekening van de uitkering zijn gesteld steeds in werking getreden op 1 januari van het jaar waar de uitkering op ziet. Dat de besluitwetgever geen wijziging in voornoemd systeem voor het jaar 2015 heeft beoogd, blijkt uit de overgangsregeling in artikel 8a van het Besluit PW voor de jaren 2015-2017. Dit betekent dat de staatssecretaris de uitkering over 2015 terecht heeft vastgesteld met toepassing van het Besluit PW en de Regeling PW. Zoals appellant heeft aangevoerd, was het Besluit PW ten tijde van het besluit van 26 september 2014 nog niet kenbaar. Het Besluit PW is op dezelfde datum als het besluit van 26 september 2014 vastgesteld, maar later, op 3 oktober 2014, gepubliceerd. Dit leidt tot een gebrek in de motivering van het besluit van 26 september 2014. Dit gebrek is in het bestreden besluit hersteld, omdat het Besluit PW op het moment waarop het bestreden besluit is genomen wel was gepubliceerd. Het betoog van appellant dat moet worden uitgegaan van de wet- en regelgeving ten tijde van het primaire besluit slaagt, gelet op het voorgaande, niet. 4.6. Niet in geschil is dat appellant de gegevens over het jaar 2013, die op grond van artikel 7 van het Besluit PW uiterlijk op 15 augustus 2014 moesten zijn ontvangen, niet tijdig heeft ingeleverd. In dat geval wordt op grond van artikel 7 van het Besluit PW en artikel 6a van de Regeling PW gebruik gemaakt van de cijfers over het jaar 2012, die worden gecorrigeerd voor de ontwikkeling van de gemiddelde prijs van die gemeenten waarvan de cijfers beschikbaar zijn en voor de ontwikkeling van het bijstandsvolume in de betreffende gemeente. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de bepalingen over de vervolgens toe te passen correctie onvoldoende duidelijk en bepaald zijn en daarmee in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel. De grond dat de correctiefactor bij het niet tijdig indienen van de gegevens ook een verhoging zou kunnen inhouden slaagt niet. Verwezen wordt naar de nota van toelichting bij het Besluit WWB 2007 (Stb. 2009, 396, blz. 13) waarin staat dat tot slot “op deze uitkomst een correctiefactor [zal] worden toegepast, om te voorkomen dat de betreffende gemeenten voordeel (en derhalve de overige gemeenten nadeel) zullen hebben van te late indiening van de verantwoordingsinformatie door een of meerdere gemeenten.” Zo ook de toelichting bij de Regeling WWB en WIJ (Stcrt. 2009, nr. 20086, blz. 10), waarin het volgende staat: “Dit betekent dat van een gemeente die de verantwoordingsinformatie te laat indient, eerst de uitgaven worden berekend aan de hand van artikel 8a, eerste lid, van het Besluit WWB 2007 en dat dit bedrag vervolgens met 5% wordt verlaagd . 4.7. Appellant heeft aangevoerd dat artikel 7 van het Besluit PW en artikel 6a van de Regeling PW in strijd zijn met artikel 108 van de Gemeentewet en artikel 69 van de PW dan wel met het evenredigheidsbeginsel. 4.8. Toepassing van de correctie is, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet in strijd met artikel 108 van de Gemeentewet en artikel 69 van de PW, op grond waarvan - kort gezegd - gemeenten een toereikend bedrag moeten krijgen om aan hun uitkeringsverplichtingen te kunnen voldoen. Van een afwijking van dit uitgangspunt is door de toepassing van de correctiefactor geen sprake. Artikel 7 van het Besluit PW en artikel 6a van de Regeling PW geven regels voor de verdeling van het macrobudget in de situatie dat gegevens van een gemeente ontbreken. Zoals uit de genoemde nota van toelichting bij het Besluit WWB 2007 (Stb. 2009, 396, blz. 13) blijkt, is het uitgangspunt zo recent mogelijke gegevens te gebruiken, aangezien dit in principe bijdraagt aan een zo goed mogelijke aansluiting tussen budgetten en uitgaven. Bij het ontbreken van deze gegevens worden de gegevens over het jaar daarvoor gebruikt, gecorrigeerd voor - kort gezegd - nieuwe ontwikkelingen. Met de correctie