Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-22
ECLI:NL:CRVB:2017:4425
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2015, 14/439 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] , appellant de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft zijn standpunt nader toegelicht. Op 21 oktober 2016 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is daarbij, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz. Het onderzoek is na deze zitting heropend. Partijen hebben vervolgens vragen van de Raad beantwoord. Deze zaak is daarna verwezen naar een enkelvoudige kamer. Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 10 november 2017. Appellant is daarbij niet verschenen en de Svb heeft zich weer laten vertegenwoordigen door mr. Metz. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is [in] 1948 geboren in Italië. Met ingang van 1 januari 1980 is appellant gaan werken bij het [Organisatie] ( [Organisatie] ) te [gemeente] en met ingang van die datum heeft hij zich ook in Nederland gevestigd. Het [Organisatie] heeft desgevraagd aan de Svb meegedeeld dat appellant tot 1 december 2005 heeft gewerkt bij die organisatie en dat aan hem met ingang van die datum een arbeidsongeschiktheidspensioen is toegekend tot 1 oktober 2011. Met ingang van laatstgenoemde datum is appellant weer gaan werken bij het [Organisatie] tot aan zijn pensionering per 1 november 2013. Voor zijn pensionering is appellant weer verhuisd naar Italie. Verder heeft het [Organisatie] aan de Svb meegedeeld dat over het aan appellant betaalde loon en over het arbeidsongeschiktheidspensioen geen premies voor de volksverzekeringen zijn ingehouden, omdat het [Organisatie] een eigen pensioenregeling heeft en vrijgesteld is van de Nederlandse belastingen. Ten slotte heeft het [Organisatie] bericht dat appellant met ingang van 1 januari 2008 de status van “in-active” heeft verkregen en dat hij vanaf 1 oktober 2011 weer in actieve dienst was. 1.2. In april 2013 heeft appellant een aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend bij de Svb. Daarbij heeft appellant vermeld dat hij van 1 februari 2011 tot en met 30 september 2011 in Italië heeft gewoond. 1.3. Bij besluit van 24 mei 2013 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 21 november 2013 geen recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW. Daarbij is overwogen dat appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW, omdat hij heeft gewerkt voor een volkenrechtelijke organisatie met een eigen pensioenregeling. 1.4. Bij beslissing op bezwaar van 21 november 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 mei 2013 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant vanaf 1 januari 1980 op grond van achtereenvolgens het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1976 (KB 557), het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164) en het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) uitgesloten was van de verzekering ingevolge de volksverzekeringen, omdat tijdens de dienstbetrekking van appellant met het [Organisatie] het sociale zekerheidsstelsel van deze organisatie op hem van kracht was. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het [Organisatie] is aangewezen als een volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in KB 557, KB 164 en KB 746, zodat appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de volksverzekeringen. 3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij voor de inwerkingtreding van KB 746 wel verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen. Daarbij heeft appellant vermeld dat tot de inwerkingtreding van KB 746 personen in zi