Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-12-21
ECLI:NL:CRVB:2017:4416
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,913 tokens
Inleiding
15/7091 AW, 17/138 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 september 2015, 15/737 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de korpschef van politie (korpschef)
Datum uitspraak: 21 december 2017
Procesverloop
Namens appellante heeft S.A.J.T. Hoogendoorn hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door Hoogendoorn. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van Doorn.
Het onderzoek is ter zitting geschorst om de korpschef in de gelegenheid te stellen een (nader) gemotiveerd advies van de leidinggevende van appellante in te zenden.
Op 22 december 2016 heeft de korpschef een nader besluit genomen en e-mailberichten van 11 en 12 november 2016 van de leidinggevende van appellante ingezonden. Daarop is namens appellante gereageerd, waarop de korpschef zijn reactie heeft kenbaar gemaakt.
Namens appellante is een nader stuk in geding gebracht, waarop de korpschef heeft gereageerd.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 3 augustus 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door Hoogendoorn. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C. Holtkamp. Op verzoek van appellante is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam 1] , wonende te [gemeente] .
De Raad heeft het onderzoek heropend en nadere vragen aan de korpschef gesteld.
Op 10 oktober 2017 heeft de korpschef de vragen van de Raad beantwoord. Daarop is namens appellante een reactie gegeven.
Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellante is aangesteld bij de voormalige politieregio [regio] , thans Eenheid [Eenheid] .
1.2.
Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op
1 november 2010 de circulaire Harmonisatiearbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (circulaire) in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782). Een van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). Dit loopbaanbeleid is de vastlegging van de binnen de politie gemaakte collectieve afspraken over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroming (bevordering) van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente
Beoordeling
Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
1.3.
Nadat binnen de Eenheid [Eenheid] aanvankelijk verzoeken om bevordering wegens zwaarwegend dienstbelang werden afgewezen, is op 7 februari 2013 in een overleg van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) besloten dat alle voor 1 januari 2013 ingediende aanvragen (opnieuw) in behandeling worden genomen conform de circulaire, ook als reeds een negatief besluit was genomen. Bij de beoordeling van de aanvragen is alle leidinggevenden gevraagd te motiveren of de betreffende collega geschikt wordt geacht voor de functie van senior GGP. In maart 2013 heeft de CGOP-Adviescommissie Loopbaanbeleid GGP nadere uitvoeringsafspraken gemaakt (uitvoeringsafspraken). Een van de afspraken is dat de aanvraag voor bevordering in het kader van het loopbaanbeleid uiterlijk op
31 december 2012 moet zijn ingediend. In het kader van een herstel- en inhaalactie geldt deze voorwaarde niet voor de Eenheid [Eenheid] .
1.4.
Op 26 november 2013 hebben de politiechef en de ondernemingsraad van de Eenheid [Eenheid] nadere afspraken vastgelegd in een beleidsdocument. Op diezelfde datum is bekendgemaakt dat tot 1 februari 2014 aanvragen kunnen worden ingediend. Omdat niet in iedere beoordeling standaard de verwachte geschiktheid is opgenomen voor de naast hogere functie, is blijkens punt 7 van het beleidsdocument het volgende overeengekomen:
“A indien een generalist aan alle criteria voldoet en een positief oordeel heeft over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de relevante beoordeling dan is aan alle eisen voldaan en kan betrokkene worden bevorderd;
B indien een generalist aan alle criteria voldoet maar geen oordeel heeft over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de relevante beoordeling dan mag betrokkene door middel van een assessment die verwachte geschiktheid aantonen en
C indien een generalist, naar aanleiding van een vraag van de Eenheidsleiding, een negatief oordeel kreeg van zijn leidinggevende over de verwachte geschiktheid voor senior GGP dan mag betrokkene alsnog door middel van een assessment die verwachte geschiktheid aantonen. Partijen beogen daarmee te bewerkstelligen dat mogelijke ongelijkheid bij die
eerdere negatieve oordelen, te niet wordt gedaan.”
1.5.
Appellante heeft in 2012 verzocht om bevordering naar de functie van senior GGP. Bij besluit van 10 oktober 2012 is dat verzoek wegens zwaarwegend dienstbelang afgewezen.
1.6.
Bij brief van 19 maart 2014 is aan appellante bericht dat haar verzoek om in aanmerking te komen voor een bevordering naar de functie van senior GGP nog niet kan worden gehonoreerd aangezien zij nog niet aan alle voorwaarden voldoet. Appellante beschikt weliswaar over een beoordeling boven de norm, maar het advies van haar leidinggevende over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP is niet positief. De korpschef heeft appellante daarom in de gelegenheid gesteld om door middel van een assessment alsnog haar verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP aan te tonen.
1.7.
Bij besluit van 18 juli 2014 is het verzoek van appellante om bevordering naar de functie van senior GGP afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet aan het vereiste van de verwachte geschiktheid, omdat de score van het assessment van appellante
lager was dan de norm van 5,7.
1.8.
Bij besluit van 30 december 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juli 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. Bij het besluit van 22 december 2016 (nader besluit) heeft de korpschef onder intrekking van het bestreden besluit het verzoek van appellante om bevordering naar de functie van senior GGP opnieuw afgewezen, omdat zij niet voldeed aan het vereiste van de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP. Dit besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Nu de korpschef het bestreden besluit niet langer handhaaft, moet de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit niet ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang.
5.2.
Vervolgens dient het nadere besluit te worden beoordeeld. De vraag die allereerst moet worden beantwoord is of de korpschef in het geval van appellante in redelijkheid tot een negatief oordeel over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP heeft kunnen komen. Aan het nadere besluit is ten grondslag gelegd het advies van de leidinggevende van
7 maart 2013, zijn nadere onderbouwing daarvan in de e-mailberichten van 11 en
12 november 2016 en de door appellante behaalde normscore van het assessment.
5.2.1.
Ter zitting van 10 november 2016 heeft de gemachtigde van de korpschef erkend dat het negatieve advies van 7 maart 2013 onvoldoende is gemotiveerd. De korpschef is door de Raad in de gelegenheid gesteld een (nader) gemotiveerd advies van de leidinggevende omtrent de verwachte geschiktheid van appellante in te zenden. Daartoe heeft de korpschef vervolgens de e-mailberichten van 11 en 12 november 2016 van de leidinggevende van appellante overgelegd. Anders dan appellante meent heeft de leidinggevende daarmee zijn advies van 7 maart 2013 voldoende onderbouwd. De leidinggevende heeft als ontwikkelpunt bij appellante geconstateerd dat zij meer op de voorgrond moet treden. Zij heeft volgens
hem namelijk een solistisch karakter en dus een sterke neiging om haar eigen pad te volgen. De leidinggevende van appellante heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat dit ontwikkelpunt, dat de kern van de functie van senior GGP raakt, in de weg staat aan een positief oordeel over de verwachte geschiktheid van appeltante voor die functie. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat de leidinggevende in het beoordelingsformulier van appellante, dat op 21 maart 2012 is vastgesteld, bij de competentie ‘begeleiden: de mate waarin het korpslid begeleiding geeft aan medewerkers in het kader van hun taakvervulling; hen stimuleert in hun persoonlijk ontwikkeling’ heeft vermeld dat appellante zich daarin
nog op een positieve manier kan ontwikkelen. Ook bij de competentie ‘kennisdelen: de mate waarin het korpslid kennis met collega’s deelt, daarmee kennis aan collega’s overdraagt en toont kennis van anderen in het werk toe te passen’ heeft de leidinggevende in het beoordelingsformulier vermeld dat appellante zichzelf op dit punt nog kan ontwikkelen.
5.2.2.
Ook overigens is er onvoldoende grond voor het oordeel dat het advies van de leidinggevende van 7 maart 2013 op onjuiste gronden berust. Weliswaar heeft [naam 2] , inspecteur van politie, in zijn e-mailbericht van 19 juli 2017 te kennen gegeven het oneens te zijn met de onderbouwing van dat negatieve advies, maar aan die verklaring kan niet die betekenis worden toegekend die appellante daaraan hecht. [naam 2] was ten tijde van belang niet de leidinggevende van appellante en hij had ook niet voldoende zicht op het functioneren van appellante. Datzelfde geldt voor de verklaring die [naam 1] ter zitting heeft afgelegd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2016 ongegrond;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.217,50;
- bepaalt dat de korpschef het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 415,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2017.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) A. Mansourova
HD