Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-19
ECLI:NL:CRVB:2017:4413
16 1394 PW, 17/2856 NIOAW Datum uitspraak: 19 december 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2016, 15/5719 (aangevallen uitspraak 1) en 3 maart 2017, 16/7345 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Namens appellante is verschenen mr. Walker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante ontvangt een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante en [M.] (M), geboren [in] 1977, hebben beiden hun hoofdverblijf op het [adres 1] te [woonplaats]. 1.2. Bij besluit van 19 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 augustus 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college de IOAW-uitkering van appellante met ingang van 1 juli 2015 verlaagd van 70% naar 68% van het bruto minimumloon in verband met de invoering van de kostendelersnorm. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat M als de persoon is aangemerkt waarmee appellante de kosten van het bestaan kan delen. Het college heeft M niet aangemerkt als een medebewoner die vanwege het volgen van onderwijs is uitgezonderd van de toepassing van de kostendelersnorm, omdat geen recht op studiefinanciering bestaat en dat daarom de uitzonderingssituatie van artikel 5, achtste lid, aanhef en onder d, van de IOAW niet van toepassing is. 1.3. Bij brief van 25 februari 2016 heeft appellante verzocht om per 1 september 2015 de toepassing van de kostendelersnorm te laten vervallen. Daarbij heeft appellante onder meer verklaard dat M per 1 september 2015 een voltijdstudie volgt en dat hij zijn studie Communicatie voortzet, voor welke studie studiefinanciering kan worden toegekend, maar dat M geen studiefinanciering ontvangt omdat de maximale termijn daarvan is bereikt. Bij besluit van 8 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 oktober 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college dat verzoek afgewezen, omdat de uitzonderingssituatie van artikel 5, achtste lid, aanhef en onder d, van de IOAW zich ook met ingang van 1 september 2015 niet voordoet. 2. Bij aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De IOAW betreft een specifieke, aan de bijstandswetgeving verwante minimumregeling en voorziet in een inkomensvoorziening op bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers, geboren vóór 1 januari 1965 en 50 jaar of ouder op het peilmoment, na afloop van hun Werkloosheidswet-uitkering. 4.1.1. Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet (PW) in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de “kostendelersnorm” in de bijstand ingevoerd. De hoogte van de bijstandsnorm wordt daarbij volgens een wettelijk vastgelegde rekenformule afgestemd op het aantal personen dat in dezelfde woning als de bijstandsontvanger zijn hoofdverblijf heeft. 4.1.2. De kostendelersnorm is met ingang van 1 juli 2015 ook in de IOAW ingevoerd, met een eigen, van de PW afwijkende systematiek. Deze systematiek is neergelegd in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, en artikel 63e van de IOAW en houdt kort gezegd in dat een afzonderlijke, lagere grondslag is opgenomen voor de alleenstaande werkloze Evenals in de PW heeft de wetgever in de IOAW uitzonderingen op de toepassing van de kostendelersnorm opgenomen. Zo is in artikel 5, achtste lid, van de IOAW opgenomen welke personen niet als kostendelende medebewoners in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de in 4.1.2 bedoelde grondslag voor een IOAW-uitkeringsgerechtigde. In de situatie van appellante is van belang dat in artikel 5, achtste lid, aanhef en onder d, van de IOAW, zoals die bepaling luidde van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016, is bepaald dat voor de toepassing van de kostendelersnorm en de daarmee samenhangende verlaagde grondslag van de IOAW-uitkering niet wordt meegeteld: “de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering kan bestaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering, de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en de persoon die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt”. 4.4. Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen in geschil of gelet op de door M per 1 juli 2015 gevolgde studie sprake is van de in 4.3 genoemde uitzondering op de toepassing van de kostendelersnorm. 4.4.1. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat M in de periode van 1 april 2015 tot 1 september 2015 een tweetal opleidingen, te weten Wijsbegeerte en Slavische Talen en Culturen, volgde in deeltijd. De ter zitting ingenomen stelling dat M als gevolg van een administratieve omissie van de kant van de onderwijsinstelling stond geregistreerd als deeltijdstudent terwijl hij feitelijk een voltijdse studie volgde, heeft appellant niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat reeds daarom aan deze stelling wordt voorbijgegaan. 4.4.2. Niet in geschil is dat bij het volgen van deeltijdstudie geen aanspraak kan worden gemaakt op studiefinanciering. Dit betekent dat de uitzonderingssituatie van artikel 5, achtste lid, aanhef en onder d, van de IOAW op 1 juli 2015 niet van toepassing was, omdat M op dat moment geen studie volgde waarvoor aanspraak op studiefinanciering kan bestaan. Het college heeft M per die datum dan ook terecht als medebewoner aangemerkt waar appellante de kosten van het bestaan mee kan delen. Toepassing kostendelersnorm per 1 september 2015 (aangevallen uitspraak 2) 4.5. Tussen partijen is ook voor wat betreft de datum van 1 september 2015 in geschil of gelet op de door M per die datum gevolgde studie sprake is van de in 4.2 genoemde uitzondering op de toepassing van de kostendelersnorm. 4.6. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat M vanaf 1 september 2001 met onderbrekingen de opleiding Communicatie in voltijd volgde. Verder staat vast dat M vanaf 1 oktober 2006 geen recht op studiefinanciering heeft omdat hij het maximaal aantal maanden studiefinanciering heeft bereikt. Uit 4.3.1 volgt dat M in de periode van 1 april 2015 tot 1 september 2015 niet de opleiding Communicatie volgde en evenmin een andere voltijd opleiding volgde. M volgde vanaf 1 september 2015 weer de opleiding Communicatie in voltijd. 4.7. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of het college zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat de onderbreking(en) van de door M gevolgde opleiding in dit geval tot gevolg hebben dat M niet onder de in 4.2 genoemde uitzondering op de toepassing van de kostendelersnorm valt. 4.8. Uit de in 4.2 opgenomen tekst van artikel 5, achtste lid, aanhef en onder d, van de IOAW, voor zover hier van toepassing, volgt dat voor de toepassing van de uitzondering op de kostendelersnorm de volgende twee voorwaarden gelden, te weten dat de medebewoner - onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering kan bestaan op grond van de Wet stu