Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-20
ECLI:NL:CRVB:2017:4406
16/617 ZW, 16/1293 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 december 2015, 15/2012 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 20 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. Brauer een zienswijze ingediend Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2017. Namens appellant is mr. Brauer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is vanaf 22 juli 2013 via een uitzendbureau werkzaam geweest als lasser voor 40 uur per week. Zijn dienstverband is op 29 september 2013 geëindigd. Appellant heeft zich op 16 december 2013 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). 1.2. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 20 oktober 2014 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 oktober 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 83,94% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 10 december 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 16 januari 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 juni 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsartsen in onvoldoende mate rekening hebben gehouden met de ernst van zijn psychische klachten en zijn verslavingsproblematiek. Kort na de onderhavige beoordelingsdatum is appellant opgenomen in een verslavingskliniek. Appellant heeft aangevoerd dat hij door zijn beperkingen niet in staat is loonvormende arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport van zijn behandelend psychiater ingediend en verwezen naar de in het dossier aanwezige medische stukken van de behandelend sector. 3.2. Het Uwv heeft zich in verweer op het standpunt gesteld dat appellant geen nieuwe medische informatie, betrekking hebbende op de datum in geding, heeft ingediend. Verder stelt het Uwv dat het feit dat appellant zich, in verband met zijn verslavingsproblematiek, per 9 juni 2015 weer ziek gemeld heeft niet betekent dat het door het Uwv ingenomen standpunt niet juist zou zijn. Het Uwv is van oordeel dat zij terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat appellant per 15 december 2014 in staat is om, rekening houdende met zijn beperkingen, loonvormende arbeid te verrichten. Dit betekent dat appellant, met inachtneming van een uitlooptermijn van een maand, per 16 januari 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. 3.3 Het Uwv heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover het de door de rechtbank aangemerkte datum in geding betreft. Aangevoerd Uit deze informatie is gebleken dat in april 2014 wederom een depressieve stoornis is vastgesteld en eerder ADHD en een borderline persoonlijkheidsstoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierin geen aanleiding gezien de FML van 20 oktober 2014 aan te scherpen. 4.6. In hoger beroep is bekend geworden dat appellant zich per 9 juni 2015 wederom heeft ziek gemeld, dit keer wegens opname (op een gesloten afdeling) van een verslavingskliniek. Uit het rapport van een verzekeringsarts van 31 maart 2016 blijkt dat appellant drie maanden opgenomen is geweest in de verslavingskliniek en daarna nog een maand dagbehandeling heeft gevolgd. Volgens de verzekeringsarts is appellant geen reëel aanbod om duurzaam loonvormende arbeid te kunnen verrichten, met name op basis van de sterk wisselende belastbaarheid. Voorts is in hoger beroep bekend geworden dat appellant per 6 juni 2017 in aanmerking is gebracht voor een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. 4.7. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in zijn rapport van 15 december 2016 op het standpunt gesteld dat het feit dat appellant op 7 juni 2016 niet belastbaar was voor arbeid niet betekent dat dit op 16 januari 2015 ook het geval moet zijn geweest. De arts van het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant in juni 2015 een terugval heeft gehad, die onvoldoende intensief is behandelend waardoor het nadien niet is gekomen tot stabiliteit en er per 7 juni 2016 nog sprake was van een sterk wisselende belastbaarheid leidend tot een situatie van geen benutbare mogelijkheden. 4.8. Het Uwv heeft appellant over de periode van 16 december 2013 tot en met 16 januari 2015 en vervolgens per 5 juni 2015, wegens psychische klachten en beperkingen, in aanmerking gebracht voor ziekengeld. Het Uwv heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gezondheidssituatie van appellant in de periode van 17 januari 2015 tot 5 juni 2015 dusdanig verbeterd was dat hij in staat kon worden geacht tot het verrichten van arbeid. Het volledige (medische) dossier van appellant overziende valt op dat appellant vanaf 2004 door de artsen van het Uwv gezien wordt als een psychisch kwetsbare man. Er is bij appellant sprake van borderline problematiek, ADHD, chronisch depressieve klachten in combinatie met, zo blijkt later, een serieuze verslavingsproblematiek. Uit het dossier blijkt voorts dat appellant keer op keer probeert te hervatten in arbeid, zijn motivatie om aan het arbeidsproces deel te nemen hoog is, maar dat hij keer op keer over zijn grenzen gaat met als gevolg een toename van zijn depressieve klachten. Dit wordt door de verzekeringsarts ook benoemd in zijn rapport van 17 maart 2014. Uit informatie van de appellant behandelend psycholoog P. Roijen van 13 april 2015 blijkt dat de behandeling van appellant vanaf februari 2014 op gang is gekomen en dat de psycholoog appellant psychisch stevig ziek acht. Uit de stukken blijkt voorts dat de psychische situatie van appellant dusdanig verslechterde dat opname in een verslavingskliniek in juni 2015 noodzakelijk werd geacht. Uit deze informatie blijkt dat vanaf de datum waarop de uitkering van appellant is ingetrokken geen sprake is geweest van een stabiele psychische situatie met een terugval op 5 juni 2015, maar dat sprake is geweest van een geleidelijke verslechtering van de psychische situatie met een opname-indicatie tot gevolg. 4.9. Ondanks het gegeven dat objectieve informatie met betrekking tot de datum in geding ontbreekt ziet de Raad, gelet op de feiten zoals deze uit het dossier blijken met betrekking tot de periode kort voor of na de datum in geding en het gegeven dat het in het onderhavige geschil gaat om een afgesloten periode van ruim 4 maanden, aanleiding om appellant bij de beantwoording van de rechtsvraag het voordeel van de twijfel te geven. 4.10. Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat de medische beoordeling die aan de beëindiging van het ziekengeld ten grondslag ligt op een onvoldoe