Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-21
ECLI:NL:CRVB:2017:4394
16/7932 AW, 16/7934 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 3 november 2016, 16/4620 en 16/5544 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellante 1] te [woonplaats 1] (appellante 1) [appellante 2] te [woonplaats 2] (appellante 2) de korpschef van politie (korpschef) Datum uitspraak: 21 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. C. Lamuadni hoger beroepen ingesteld. De korpschef heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Lamuadni. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L. Kuipers. OVERWEGINGEN 1.1. Appellanten waren werkzaam als [medewerker 1] (schaal 5). Op verzoek van hun directe chef hebben zij met ingang van 1 januari 2012 de planningswerkzaamheden van de toenmalige [medewerker 2] overgenomen. Sinds 1 november 2012 zijn appellanten belast met de waarneming van de [functie medewerker 2] (schaal 8) . In verband met deze waarneming is aan appellanten bij besluiten van 10 april 2013 met ingang van 1 november 2012 een waarnemingstoelage toegekend van 100% van het verschil tussen de bezoldiging op dat moment, te weten salarisschaal 5, anciënniteit 14, en het bedrag vermeld in salarisschaal 8, anciënniteit 6. Daarbij is bepaald dat de hoogte van deze toelage eenmalig wordt vastgesteld en niet anders dan op grond van een algemene salarisherziening voor de sector politie zal wijzigen. Tegen deze besluiten hebben appellanten geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte vaststaan. 1.2. Bij brieven van 10 augustus 2015 hebben appellanten verzocht om met terugwerkende kracht gevolg te geven aan het bepaalde in artikel 17, derde lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) in die zin dat zij gedurende de waarneming aanspraak maken op een jaarlijkse verhoging van de waarnemingstoelage met een periodiek op de periodiekdatum, zijnde 1 november voor appellante 1 en 1 februari voor appellante 2, zolang het maximum in de schaal van de waargenomen functie niet is bereikt. 1.3. Bij besluiten van 16 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 12 april 2016 (bestreden besluiten), heeft de korpschef de verzoeken ten aanzien van de toekomst toegewezen, in zoverre dat de waarnemingstoelage voor appellante 1 met ingang van 1 november 2015 en voor appellante 2 met ingang van 1 februari 2015 is aangepast naar het verschil tussen schaal 5 trede 14 en schaal 8 trede 7. Tevens is besloten ieder jaar in de maand november, respectievelijk februari, de waarnemingstoelage opnieuw vast te stellen, in die zin dat een periodiek wordt toegekend, zolang de waarneming van de functie voortduurt tot aan het moment dat het maximum van schaal 8 is bereikt. 2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de verzoeken moeten worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het oordeel van de rechtbank zich beperkt tot beantwoording van de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden. Daar is in deze gevallen geen sprake van. Hetgeen in beroep is aangevoerd met betrekking tot de onjuiste toepassing van artikel 17, derde lid, van het Bbp, had volgens de rechtbank al tegen het besluit van 10 april 2013 tot eenmalige vaststelling van de waarnemingstoelage aangevoerd kunnen worden. De korpschef kon dan ook in redelijkheid gebruikmaken van zijn bevoegdheid om de verzoeken om herziening af te wijzen en de bezoldiging van appellanten op de periodiekdatum slechts met één periodiek te laten groeien. 3. Appellanten hebben de aangevallen uitspraken in hoger beroep bestreden op de hierna te bespreken gronden. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.4.1.1. Op grond van artikel 9, eerste lid, van het Bbp, wordt het salaris van de ambtenaar verhoogd to