Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-07
ECLI:NL:CRVB:2017:4377
16/8031 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2016, 16/3915 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) Datum uitspraak: 7 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft drs. S.H. Springer hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken overgelegd. Appellant heeft een nadere reactie op het verweerschrift ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door drs. Springer. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was sinds 1 januari 1979 als burgerambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Hier was hij langdurig werkzaam in hetzelfde werkveld, laatstelijk in de functie van [functie 1] van de [sectie 1] van de [directie 1] ([functie 1]). Tot de taken van appellant behoorde het beleid met betrekking tot de aanschaf van civiele dienstauto’s ten behoeve van Defensie. 1.2. In verband met beschuldigingen jegens appellant die in december 2011 bij de departementsleiding van Defensie bekend zijn geworden, is vanaf 11 januari 2012 door een commissie van huishoudelijk onderzoek (commissie), onderzoek gedaan naar onder meer de verwerving van civiele dienstauto’s ten behoeve van Defensie, met daarbij in het bijzonder aandacht voor de positie en de rol van appellant in dit proces. Hierbij is ook onderzocht of appellant rechtmatig en integer heeft gehandeld. 1.3. Bij besluit van 2 februari 2012 is appellant met ingang van 16 januari 2012 ontheven uit de functie [functie 1]. Gedurende het onderzoek van de commissie is hij tijdelijk tewerkgesteld bij de [directie 2] van de [divisie 1] te [vestigingsplaatst]. 1.4. In haar rapport van 5 april 2012 heeft de commissie onder meer geconcludeerd dat appellant contacten met de civiele markt onderhield die zijn te kwalificeren als (in ernst variërende) schendingen van de integriteit. De meest ernstige schending van de integriteit betrof het door appellant met betrekking tot zijn privé-auto afsluiten van een leasecontract met een bedrijf dat betrokken was bij het leveren van personenauto’s aan Defensie, tegen voor appellant zo gunstige voorwaarden dat de overeenkomst bezwaarlijk anders kon worden gezien dan als een gift. In het door appellant ondertekende leasecontract stonden bovendien bepalingen waarin hij ten onrechte verklaarde BTW-ondernemer te zijn en daaraan rechten te ontlenen op teruggave van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). Omdat het de commissie onduidelijk was of sprake was van strafbare feiten, heeft zij de minister geadviseerd om hiervan melding te doen bij het Openbaar Ministerie (OM). Verder heeft de commissie geconcludeerd dat het onderwerp integriteit onvoldoende aandacht heeft gehad binnen de organisatie en dat het zeer lange functioneren van appellant op dezelfde integriteitsgevoelige functie een ongewenste en onaanvaardbare situatie is, die door de werkgever voorkomen had moeten worden. 1.5. Bij brief van 11 mei 2012 heeft de Plaatsvervangend Secretaris-Generaal appellant meegedeeld dat de vraag of sprake is van strafbare feiten zal worden voorgelegd aan het OM. Voorts kan appellant in het belang van de dienst niet blijven functioneren in zijn huidige integriteitsgevoelige functie. Voor hem zal dan ook een andere functie worden gezocht. Verder is geconcludeerd dat op dat moment, gegeven de verantwoordelijkheid van de werkgever voor een, uit oogpunt van integriteitsbeleid, veilige werkomgeving, onvoldoende aanleiding is om te komen tot disciplinaire maatregelen. De uitkomsten van het onderzoek door het OM zouden aanleiding kunnen zijn tot een verandering in deze waardering. 1.6. Bij besluit van 22 juni 2012 is aan appellant per 1 juli 2012 in het belang van de dienst de functie [functie 2] bij de [directie 3] van [s