Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-15
ECLI:NL:CRVB:2017:4319
14/5965 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 september 2014, 14/886 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 15 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L. Meys, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een conceptrapport van dr. H.N. Sno, psychiater, van 26 februari 2016 overgelegd. Sno heeft gerapporteerd in het kader van een letstelschadezaak. In reactie daarop heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 mei 2016 ingezonden. Desgevraagd heeft het Uwv een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 februari 2017 ingezonden. De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.M.G. Gubbels, kantoorgenote van mr. Meys. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. Na de zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. Het Uwv is gevraagd te motiveren waarom het privégebruik van de leaseauto van appellante niet is meegenomen in het dagloon. Het Uwv heeft op 17 maart 2017 zijn standpunt nader uiteengezet. Appellante heeft op 24 maart 2017 gereageerd. Partijen hebben aangegeven geen gebruik te maken van het recht om (nogmaals) op een zitting te worden gehoord. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is werkzaam geweest als adviseur. Ze heeft zich op 16 september 2010 ziek gemeld in verband met psychische klachten. Bij besluit van 13 september 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per die datum recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 78,74%. 1.2. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 14 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. In dat besluit is verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 maart 2014, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 74,48%. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen reden is om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellante op onjuiste wijze in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn neergelegd. De aan appellante voorgehouden functies kunnen aan de schatting ten grondslag worden gelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat voldoende is toegelicht dat de auto van de zaak en de eindejaarsuitkering bij de vaststelling van het maatmaninkomen zijn meegenomen. De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat de verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage niet meebrengt dat sprake is van strijd met het verbod van reformatio in peius. 3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Zij heeft daartoe verwezen naar het conceptrapport en het definitieve rapport van Sno van 25 maart 2016. Volgens haar zijn de daarin genoemde diagnoses ook op de datum in geding aanwezig. Zij heeft voorst gesteld dat de wijziging in het verlies aan het verdienvermogen wel degelijk in strijd is met het verbod van reformatio in peius omdat zij meer zal moeten verdienen met arbeid, wil zij voor een loonaanvullingsuitkering in aanmerking komen. Ter zitting heeft zij haar standpunt met betrekking tot de eindejaarsuitkering niet gehandhaafd; wel vindt zij dat het privégebruik van de lease auto ten onrechte niet in het maatmaninkomen is meegenomen. 3.2.1. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 2 mei 2016 gesteld dat de door Sno gestelde diagnoses aansluiten op de