Rechtspraak
2017-12-06
ECLI:NL:CRVB:2017:4294
2,022 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2017:4294 text/xml public 2025-08-04T09:35:11 2017-12-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2017-12-06 16/1383 WW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl SZR-Updates.nl 2017-0265 FutD 2018-0056 Viditax (FutD) 2017121908 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:4294 text/html public 2017-12-14T09:57:15 2017-12-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2017:4294 Centrale Raad van Beroep , 06-12-2017 / 16/1383 WW Afwijzing overname betalingsverplichtingen. Geen sprake van privaatrechtelijke dienstbetrekking. 16/1383 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2016, 15/3471 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 6 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Teitler, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Teitler. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens. OVERWEGINGEN 1.1. Op 26 februari 2009 is [naam BV] ([naam BV]) opgericht. Met ingang van 25 maart 2014 is de [naam stichting] enig aandeelhouder en bestuurder geworden van [naam BV] Appellant is op 28 maart 2014 bestuurder geworden van [naam stichting]. Op 28 maart 2014 hebben appellant en [naam BV] een overeenkomst voor onbepaalde tijd getekend waarin appellant als werknemer en [naam BV], vertegenwoordigd door [naam stichting], op haar beurt vertegenwoordigd door appellant in zijn hoedanigheid van bestuurder van [naam stichting], als werkgever zijn aangeduid. Daarin is bepaald dat appellant als algemeen manager belast is met de dagelijkse leiding van [naam BV] Op 1 juli 2014 is appellant uitgetreden als bestuurder van [naam stichting] en is [X.] bestuurder van [naam stichting] geworden. 1.2. Op 27 januari 2015 is [naam BV] in staat van faillissement verklaard. Appellant heeft op 9 februari 2015 bij het Uwv een aanvraag gedaan om met toepassing van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van [naam BV] over te nemen. 1.3. In het onderzoeksrapport van 12 maart 2015 is geconcludeerd dat appellant eigenaar was van [naam BV], waardoor geen sprake was van een gezagsverhouding en daarom geen arbeidsovereenkomst. 1.4. Bij besluit van 27 februari 2015 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om overname van de betalingsverplichtingen van [naam BV] afgewezen vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 23 april 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen, omdat vanaf 1 juli 2014 geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft beoordeeld of appellant tot [naam BV] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van de, onder andere in de uitspraken van de Hoge Raad van 22 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY9295) en van de Raad van 22 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:227) geformuleerde, ‘formele benadering’ die wordt gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon een gezagsverhouding bestaat. Of materieel sprake is van een gezagsverhouding is bij die beoordeling niet relevant. De rechtbank heeft geoordeeld dat de op 28 maart 2014 gesloten overeenkomst geen privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [naam BV] was vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Dat is niet anders geworden door de wijziging van de zeggenschapsverhouding per 1 juli 2014. Nu voorts niet is gebleken dat appellant per 1 juli 2014, na het uittreden als enig bestuurder van [naam stichting], met [X.], de opvolgende bestuurder, als vertegenwoordiger van [naam BV], een overeenkomst heeft gesloten in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), is ook per die datum geen sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat niet betwist wordt dat hij tot 1 juli 2014 niet in privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot [naam BV] vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Volgens appellant is echter per 1 juli 2014 een arbeidsovereenkomst ontstaan, doordat niet langer appellant zelf maar [X.] bestuurder werd van [naam stichting] en daarmee indirect bestuurder van [naam BV] Daardoor had appellant niet langer (indirect) zeggenschap over [naam BV] en was hij een ondergeschikte werknemer geworden. De rechtsverhouding tussen appellant en [naam BV] is dus op 1 juli 2014 van karakter veranderd. Daarvoor was niet vereist dat een nieuwe arbeidsovereenkomst werd gesloten. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zowel voor als na 1 juli 2014 geen sprake was van een arbeidsovereenkomst vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Aan de orde is de vraag of appellant werknemer was in de zin van de WW. Op grond van artikel 3 van de WW is hiertoe vereist dat appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan in de zin van artikel 7:610 BW. 4.2. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding, en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:878). 4.3. Niet in geschil is dat appellant gehouden was arbeid te verrichten voor [naam BV] en daarvoor loon ontving. 4.4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant in een gezagsverhouding stond ten opzichte van [naam BV] Daarbij rust de bewijslast op appellant, als aanvrager van de uitkering (zie de uitspraak van de Raad van 13 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1524). 4.5. Vaststaat dat [naam stichting] statutair bestuurder was van [naam BV] Hieruit volgt echter niet dat appellant, die vanaf 28 maart 2014 bestuurder was van [naam stichting], daardoor tevens statutair bestuurder was van [naam BV] (zie de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2882). Dit blijkt ook uit het Handelsregister, waarin uitsluitend [naam stichting] als enig aandeelhouder en bestuurder van [naam BV] is geregistreerd. 4.6. Uit 4.5 volgt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, appellant niet op grond van de in de aangevallen uitspraak genoemde rechtspraak op grond van een formele gezagsverhouding met [naam BV] als werknemer kan worden aangemerkt. Beoordeeld dient te worden of appellant naar materiële maatstaven werkzaam is geweest in een gezagsverhouding ten opzichte van [naam BV] 4.7. Gelet op het verhandelde ter zitting staat vast dat, ondanks de tussen appellant en [naam BV] op 28 maart 2014 gesloten overeenkomst in het kader waarvan arbeid werd verricht, vóór 1 juli 2014 geen sprake was van een gezagsverhouding. Niet betwist wordt dat appellant tot 1 juli 2014 feitelijk zelf het gezag uitoefende.