Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-06
ECLI:NL:CRVB:2017:4286
16/569 WW, 16/5956 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 december 2015, 15/1810 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 6 december 2017 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft op 20 juli 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft werkzaamheden verricht in dienst van [BV] (werkgeefster). 1.2. Bij besluit van 20 november 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van 20 oktober 2014 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) in verband met een verlies van een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 37 uur per week. De WW-uitkering heeft het Uwv gebaseerd op een dagloon van € 97,50. Het dagloon is vastgesteld met toepassing van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, Stb. 2013, 185 (Dagloonbesluit 2013). 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 5 maart 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 november 2014 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het beroep over het GAA kan volgens de rechtbank niet slagen omdat de door appellant aangevoerde gronden niet meer arbeidsuren opleveren. Voor de berekening van het dagloon heeft het Uwv de referteperiode juist vastgesteld van 26 april 2014 tot en met 7 september 2014. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2864. Volgens deze uitspraak is het buiten aanmerking laten van na de referteperiode gedane betalingen niet in strijd met het loondervingsbeginsel van de WW. Dat appellant pas na afloop van de referteperiode het loon over de laatste week van de referteperiode betaald heeft gekregen (week 36 is feitelijk betaald in week 38), kan er niet toe leiden dat de dwingende bepalingen omtrent de vaststelling van het dagloon terzijde moeten worden geschoven. Evenmin breng deze omstandigheid volgens de rechtbank met zich mee dat de gegevens uit de polisadministratie (Suwinet) om deze reden onjuist zouden zijn. Het Uwv heeft het dagloon dan ook terecht vastgesteld op € 97,50. 3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn loon wekelijks – feitelijk twee weken later – werd betaald dan de week waarop het loon betrekking had en door de werkgeefster per vier weken werd opgegeven bij de Belastingdienst, waarbij de vierde week telkens opschoof naar het volgende aangiftetijdvak. Het Uwv heeft bij de dagloonberekening ten onrechte geen rekening gehouden met het loon dat door de werkgeefster werd opgegeven na het einde van de referteperiode, maar dat moet worden toegerekend aan de arbeid in week 36 van 2014. Aan de hand van een overzicht – met de gewerkte weken, het bijbehorende salaris en het genoten salaris volgens de Belastingdienst –, berekeningen en loonstroken heeft appellant zijn standpunt onderbouwd dat het dagloon € 103,63 moet bedragen. Als geen rekening wordt gehouden met het loon van week 36 dan moet volgens appellant het aantal loondagen van 95 worden verlaagd naar 90. 3.2. Het Uwv heeft in hoger beroep een overzicht overgelegd waarin de loonstroken worden vergeleken met de polisadministratie en heeft geconcludeerd dat de door de werkgeefster in de polisadministratie verwerkte gegevens overeenkomen met de gegevens op de loonstroken en dat het dagloon juist is vastgesteld. Daarnaast heeft het Uwv op 20 juli 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), waarbij rekening houdende met het Besluit GAA uitze