Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-07
ECLI:NL:CRVB:2017:4254
17/1403 AW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2017, 16/359 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 7 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft ir. R. Schmohl hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door ir. Schmohl. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ҫevik en P. de Haan. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was vanaf 1 februari 2002 aangesteld bij de (toenmalige) [dienst] in de functie van [functie 1]. Hij was laatstelijk werkzaam in de [functie 2] en beschikte over de bevoegdheden van een Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA). Bij besluit van 12 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 april 2014 (ontslagbesluit), heeft het college aan appellant de disciplinaire straf van ontslag opgelegd in verband met ernstig plichtsverzuim. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. 1.2. Bij brief van 11 maart 2015 heeft appellant verzocht om herziening van het ontslagbesluit en het daarbij gehandhaafde strafontslag en verzocht om een vergoeding dan wel uitkering ter voorziening in zijn levensonderhoud tot aan zijn pensioen. 1.3. Bij besluit van 11 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 december 2015 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellant afgewezen. Het college heeft het verzoek opgevat als een verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaand besluit van 14 april 2014 en heeft zich, in lijn met artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan moet worden teruggekomen van het ontslagbesluit. Het college is van mening dat, hoewel de uitkomsten van de strafrechtelijke procedures tegen appellant op zichzelf nieuwe gegevens zijn, deze gegevens niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb die het college nopen terug te komen van het ontslagbesluit. De feiten en omstandigheden die uit de uitspraken naar voren komen, voor zover relevant, waren reeds bekend ten tijde van de besluitvorming ten aanzien van het disciplinaire ontslag en zijn binnen het tuchtrechtelijk kader meegewogen. In de afwijzing van het verzoek om herziening van het ontslagbesluit ligt besloten dat er geen grond bestaat om aan appellant een vergoeding dan wel uitkering toe te kennen. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling. 3.1. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. 3.2. Appellant heeft in hoger beroep gewezen op veel, naar eigen zeggen, oude maar verborgen feiten die, geplaatst in het huidige perspectief, voor het college aanleiding hadden moeten zijn om van het ontslagbesluit terug te komen. Dit betoog treft geen doel. Het gaat hierbij immers niet om nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, nu deze feiten en omstandigheden ten tijde van het on