Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-12-05
ECLI:NL:CRVB:2017:4229
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,832 tokens
Inleiding
167343 PW, 16/7344 PW, 16/7467 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 oktober 2016, 16/596 en 16/597 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 5 december 2017
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017. Namens appellanten is mr. Bakker verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving vanaf 22 juni 2001 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante staat, zo blijkt uit de Basisregistratie Personen (BRP), samen met haar drie kinderen sinds 4 maart 2008 ingeschreven op het adres [adres 1] .
1.2.
Appellant ontving sinds 1 oktober 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat sinds 12 september 2012 ingeschreven op het adres
[adres 2] .
1.3.
Naar aanleiding van een telefonische melding van de woningbouwvereniging op 2 december 2014 bij het Meldpunt Overlast en Zorg dat appellant niet op zijn adres woont, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellanten. In dat kader is dossieronderzoek verricht en zijn bij de woning van appellante van 28 tot en met
31 mei 2015 cameraobservaties verricht. Daarnaast hebben twee fraudecontroleurs op 22 juli 2015 onaangekondigde huisbezoeken afgelegd op de adressen van appellanten, waarbij tevens gesprekken zijn gevoerd met appellanten. Ook op 29 juli 2015 is een gesprek gevoerd met appellanten. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapportages van 30 juli 2015.
1.4.
De onderzoeksresultaten hebben geleid tot de volgende besluitvorming. Bij afzonderlijke besluiten van 4 augustus 2015 heeft het college de bijstand van appellante per 22 juli 2015 ingetrokken (besluit 1) en haar een waarschuwing gegeven (besluit 2). Bij afzonderlijke besluiten van 7 augustus 2015 heeft het college tevens de bijstand van appellant per 22 juli 2015 ingetrokken (besluit 3) en hem een waarschuwing gegeven (besluit 4).
1.5.
Appellanten hebben beiden op 3 augustus 2015 een aanvraag om bijstand ingediend. Aan appellant is per 3 augustus 2015 bijstand toegekend. Bij besluit van 27 augustus 2015
(besluit 5) heeft het college de aanvraag van appellante, met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), buiten behandeling gesteld.
1.6.
Bij afzonderlijke besluiten van 23 december 2015 (bestreden besluiten 1 en 2), voor zover van belang, heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1, 2 en 5 en de bezwaren van appellant tegen de besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard. Aan de besluiten 1 tot en met 4 ligt, voor zover van belang, ten grondslag dat appellanten zonder daarvan melding te maken bij het college een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres van appellante, om welke reden zij vanaf 22 juli 2015 geen recht hadden op bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder). Aan besluit 5 ligt ten grondslag dat appellante niet alle stukken heeft overgelegd die voor het in behandeling nemen van haar aanvraag van belang waren.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Intrekking en waarschuwing
4.1.
De ten aanzien van de intrekking te beoordelen periode loopt voor appellante van
22 juli 2015 tot en met 4 augustus 2015 (te beoordelen periode 1). Ten aanzien van appellant loopt de te beoordelen periode van 22 juli 2015 tot en met 2 augustus 2015 (te beoordelen periode 2).
4.2.
Het besluit tot intrekking van bijstand, is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
4.3.
Vaststaat dat uit de relatie van appellanten op 31 december 2009 een dochter is geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in te beoordelen periode 1 sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW, uitsluitend van belang of appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.
4.4.
In geschil is of appellant in te beoordelen periode 1 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante.
4.5.
Namens appellanten is in hoger beroep en ter zitting van de Raad het volgende aangevoerd. De cameraobservaties die van 28 tot en met 31 mei 2015 hebben plaatsgevonden bij de woning van appellante, betroffen een te grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van appellanten en kunnen daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd.Appellanten hebben een LAT-relatie. Appellant komt bijna dagelijks, vaak op meerdere momenten op een dag, bij appellante langs. Hij brengt de kinderen van en naar school. Appellanten voeden gezamenlijk hun op 31 december 2009 geboren dochter op. Het door het college verrichte onderzoek is ontoereikend voor de conclusie dat appellant zijn hoofdverblijf heeft op het adres van appellante. De intrekking, waarschuwing en buitenbehandelingstelling kunnen daarom geen stand houden.
4.6.
De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Bij het aanhouden van afzonderlijke adressen - zoals in het geval van appellanten - zal aannemelijk moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert.
4.7.
Uit de afgelegde huisbezoeken blijkt het volgende. Het huisbezoek dat op 22 juli 2015 op het adres van appellante is afgelegd, bestond uitsluitend uit het voeren van een gesprek met appellanten in de woonkamer van appellante. Appellante verklaarde daarbij dat zij geen gezamenlijke huishouding voert met appellant en absoluut niet met hem kan samenwonen. Appellant is elke dag bij appellante, omdat hij haar veel helpt met de kinderen en ook graag bij zijn eigen kind wil zijn. Hij slaapt niet elke nacht bij appellante. Appellante verklaarde dat appellanten samen ook redelijk wat tijd doorbrengen op het adres van appellant. Desgevraagd verklaarde appellant dat er wat kledingstukken van hem bij appellante liggen en dat er op zijn adres ook spullen van haar liggen. Bij het huisbezoek van 22 juli 2015 dat op het adres van appellant is afgelegd, gaf appellante de rondleiding door de woning van appellant. De woning bestaat uit een woonkamer, slaapkamer en douche. In de slaapkamer stond een stapelbed. Appellant verklaarde dat hij op dat bed slaapt. Als zijn dochter bij hem is, slaapt zij ook op het stapelbed. Appellante verklaarde dat zij ook geregeld in de woning van appellant is en er ook wel eens blijft slapen. In de kledingkast lag de kleding van appellant bovenin en er hingen ook kledingstukken van appellante in de kast. In de naastgelegen ladekast lagen zowel spullen van appellant als van appellante. Bovenop de ladekast stonden wat toiletartikelen van appellante. In de douche stonden diverse toiletartikelen van zowel appellant als appellante. Appellante vertelde geen wasmachine te hebben, zij maakt weleens gebruik van de wasmachine van appellant. In de koelkast stonden verschillende varianten drinken, met name pakjes drinken. Appellant verklaarde deze voor de kinderen gehaald te hebben.
Uit de rapportage van 30 juli 2015 blijkt voorts dat appellante ten tijde van het huisbezoek heeft verklaard dat de kinderen beter bij appellant kunnen spelen dan bij haar, omdat appellanten makkelijk buiten kunnen zitten bij de woning van appellant en dan uitzicht hebben op het speelveldje.
Conclusie
4.14.
De rechtbank heeft wat in 4.10, 4.11 en 4.13 is overwogen niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepen gegrond verklaren, de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor zover deze zien op de intrekking, waarschuwing en buitenbehandelingstelling. Mede in aanmerking genomen het tijdsverloop en de toekenning van bijstand na de te beoordelen perioden ziet de Raad aanleiding om, zelf voorziend, de besluiten 1 tot en met 5 te herroepen.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep, waarbij de Raad uitgaat van samenhangende zaken in beroep en in hoger beroep.De kosten worden begroot op € 1.980,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal een bedrag van € 3.960,-, voor verleende rechtsbijstand.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten 1 en 2, voor zover deze zien op de intrekking,
waarschuwing en buitenbehandelingstelling;
- herroept de besluiten 1 tot en met 5, voor zover deze zien op de intrekking, waarschuwing
en buitenbehandelingstelling;
- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 3.960,-;
- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 294,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en E.W. Akkerman en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2017.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) A.M. Pasmans
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.
HD