Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-07
ECLI:NL:CRVB:2017:4224
16/5379 AW Datum uitspraak: 7 december 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2016, 15/4908 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het bestuur van de Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam (bestuur) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.R. Kamerling hoger beroep ingesteld. Namens het bestuur heeft mr. S. Ideler-Ouwens, advocaat, een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kamerling. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ideler-Ouwens, S.M. Boxem, drs. W.C.M. Kokx en S. Presentacion. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was vanaf februari 2009 werkzaam bij de (rechtsvoorganger van de) [Stichting] als [functie] , eerst op [Naam school] en vanaf augustus 2012 op [naam school] . 1.2. Bij besluit van 3 april 2012 heeft het bestuur appellant een schriftelijke waarschuwing gegeven, onder andere omdat appellant op 26 maart 2012, nadat hij had gezien dat een leerling net buiten het schoolplein met een vlindermes liep, in strijd met het beleid van de school zonder enig overleg met de schoolleiding direct de politie had gebeld. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. 1.3. Bij besluit van 23 mei 2013 is appellant de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd in verband met het verstrekken van vertrouwelijke en onjuiste informatie aan externe officiële instanties. Dit besluit staat in rechte vast. 1.4. Bij besluit van 2 juli 2013 is appellant de disciplinaire straf van inhouding van 50% van één maandsalaris opgelegd vanwege het openbaar maken van zeer vertrouwelijke informatie door beelden van inbrekers op school op Facebook te plaatsen. Daarbij is appellant erop gewezen dat bij een volgend plichtsverzuim overgegaan zal worden tot disciplinair ontslag. Ook dit besluit staat in rechte vast. 1.5. Op 18 december 2014 heeft de vader van een leerling een jas aan appellant gegeven, die zijn zoon per ongeluk had meegenomen. In die jas zat onder andere een boksbeugel en een mes. De vader was niet bereid met de directie hierover te praten. Vervolgens heeft appellant leerling [X] van wie de jas was, uit de klas gehaald, hem geconfronteerd met de voorwerpen en hem meegedeeld dat er nog verdere stappen zouden worden ondernomen. Appellant heeft de wapens mee naar huis genomen en deze in de kluis van een buurman gelegd. ’s Avonds was appellant op school in verband met de eindejaarsmaaltijd en -disco. In de nacht van 18 op 19 december 2014 heeft appellant rond 01.00 uur de schooldirecteur over het incident verteld. Tijdens de kerstvakantie hebben de wapens in zijn eigen kluis gelegen en heeft hij contact opgenomen met de vader die de jas gebracht had. 1.6. Begin januari 2015 heeft appellant contact opgenomen met een ouder van een leerling naar aanleiding van een pestgeval, terwijl de teamleider en de mentor van de betreffende leerling hiervan niet op de hoogte waren en appellant hiervoor geen toestemming hadden verleend. 1.7. Bij besluit van 22 januari 2015 is appellant de toegang tot de terreinen en gebouwen van de school ontzegd. Bij besluit van 25 februari 2015 is appellant met onmiddellijke ingang geschorst. 1.8. Na het voornemen daartoe waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, is appellant bij besluit van 25 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juni 2015 (bestreden besluit), met ingang van 1 maart 2015 primair de disciplinaire straf van ontslag opgelegd met toepassing van artikel 10.b.3, aanhef en onder 11, juncto artikel 10.b.7, derde lid, aanhef en onder c, van de CAO Voortgezet Onderwijs 2014/2015 (CAO VO). Subsidiair is appellant ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor het verrichten van de functie van [functie] aan een school voor voortgezet onderwijs binnen de [Stichting] op grond van artikel 10