Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-23
ECLI:NL:CRVB:2017:4207
17/4267 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 april 2017, 16/3223 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Justitie en Veiligheid (minister) Datum uitspraak: 23 november 2017 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Kleine en R.F. van Asch. OVERWEGINGEN 1. Appellant was werkzaam bij de [naam dienst] ( [dienst] ) als [naam functie] met salarisschaal 12 en standplaats [standplaats 1] . Hij is in het kader van een reorganisatie van de [dienst] geplaatst in de functie van [naam functie] met salarisschaal 11 en standplaats [standplaats 2] , waarbij hij salarisschaal 12 behoudt. Appellant heeft in verband met deze plaatsing verzocht om gebruik te kunnen maken van een leaseauto. 2. Bij besluit van 15 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juli 2016 (bestreden besluit), heeft de minister deze aanvraag afgewezen. De minister heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat appellant, nu zijn standplaats als gevolg van een reorganisatie is gewijzigd, in aanmerking kan komen voor een tegemoetkoming in reisduur en reiskosten. Het beschikbaar stellen van een leaseauto valt niet onder de voorzieningen die in dat kader verstrekt kunnen worden. De minister heeft geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule in artikel 49aaa van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), omdat geen sprake is van een zwaarwegend dienstbelang. De minister wijst in dit kader naar de nota Standplaatsbepaling medewerkers/keuzemenu faciliteiten/hardheidsclausule van 7 mei 2015 (nota). Voorts heeft de minister gesteld dat de situatie van twee collega’s van appellant die ook vanuit [standplaats 1] in [standplaats 2] zijn geplaatst en aan wie leaseauto’s zijn verstrekt, verschilt van die van appellant omdat de organisatie op hen een beroep heeft gedaan om tijdelijk in [standplaats 2] te gaan werken. Tot slot is niet gebleken van concrete toezeggingen door het bevoegd gezag dat aan appellant een leaseauto ter beschikking zou worden gesteld. 3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.2. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat aan hem ten onrechte geen leaseauto is verstrekt, althans geen hogere vergoeding is verstrekt voor de door hem gemaakte reiskosten woon- en werkverkeer. 3.3. De minister heeft zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Gelet op het in 1 vermelde verzoek van appellant en de daarop genomen in 2 vermelde afwijzende beslissing, is de omvang van dit hoger beroep beperkt tot de vraag of de minister het verzoek van appellant om een leaseauto in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Het in hoger beroep gedane aanvullende verzoek van appellant om een hogere reiskostenvergoeding kan derhalve niet aan de orde komen. 4.2. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de minister voor het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule bedoeld in artikel 49aaa van het ARAR het criterium ‘zwaarwegend dienstbelang’ hanteert. Hij verwijst in dit kader tevens naar de in 2.1 genoemde nota. Deze nota, aldus de minister, is geschreven als handreiking voor het bevoegd gezag bij het toepassen van de hardheidsclausule. De standplaatswijziging van appellant als gevolg van de reorganisatie merkt de minister niet aan als zwaarwegend dienstbelang. 4.3. Artikel 49aaa van het ARAR is het sluitstuk van Hoofdstuk VII bis ‘Van werk naar werk’ en luidt: “Het bevoegd gezag kan afwijken van de bepalingen in dit hoofdstuk voor zover toepassing gelet op het belang dat deze bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende