Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-06
ECLI:NL:CRVB:2017:4185
16/1154 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 januari 2016, 15/2093 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor) Datum uitspraak: 6 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L.H.W. Golsteijn, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Golsteijn. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Baytemir. Het onderzoek ter zitting is geschorst. Desgevraagd heeft het Zorgkantoor de vraag beantwoord wat de brieven van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (staatssecretaris) van 7 december 2015, kenmerk 880304-144941-LZ, en 10 april 2017, kenmerk 1091643‑161000‑LZ, betekenen voor de besluitvorming in deze zaak. Appellante heeft een reactie ingestuurd. Mr. L. Isenborghs, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante, geboren in 1997, is op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor AWBZ-zorg. 1.2. Het Zorgkantoor heeft aan appellante op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. 1.3. Bij besluit van 22 oktober 2014 heeft het Zorgkantoor het pgb vastgesteld op nihil en de over 2014 onverschuldigd betaalde voorschotten tot een bedrag van € 25.953,41 van appellante teruggevorderd. 1.4. Bij besluit van 26 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 oktober 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat uit de door appellante overgelegde stukken niet kan worden opgemaakt dat zij het pgb heeft besteed aan AWBZ-zorg. Het Zorgkantoor heeft het wel aannemelijk geacht dat aan appellante persoonlijke verzorging is verleend en dat zij daarvoor heeft betaald. Daarom heeft het Zorgkantoor uit coulance een bedrag van € 5.161,22 alsnog als naar behoren verantwoord beschouwd en dit bedrag in mindering gebracht op de vordering. Een vordering van € 20.792,19 resteert. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat voorop staat dat de verantwoordelijkheid voor het pgb bij de verzekerde ligt. De omstandigheden dat appellante verstandelijk beperkt is en ten tijde in geding minderjarig was, ontslaan haar niet van de verplichtingen die horen bij het pgb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet voldaan aan deze verplichtingen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de omstandigheden dat appellante verstandelijk beperkt is en – zo zij stelt – het slachtoffer is geworden van een falende zorgverlener niet maken dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de stelling van appellante dat het Zorgkantoor ten aanzien van haar tekort is geschoten in zijn zorgplicht (inhoudende een onderzoeks- en mededelingsplicht met betrekking tot falende zorgverleners) niet slaagt. 3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat niet appellante, maar haar zorgverlener en/of haar moeder moet worden aangesproken op de vordering. Appellante is slachtoffer geworden van de fraude van haar zorgverlener. Appellante had, mede gezien haar verstandelijke beperking, geen zicht op het pgb dat door haar moeder werd besteed en verantwoord. Verder is het Zorgkantoor ten onrechte niet in actie gekomen jegens de frauder