Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-30
ECLI:NL:CRVB:2017:4166
15/1943 MPW Datum uitspraak: 30 november 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2015, 14/6767 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld . De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is een gewezen militair en ontvangt vanaf 1 februari 2002 een militair invaliditeitspensioen, laatstelijk berekend naar een mate van invaliditeit van 20%. Tevens is een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5% toegekend. 1.2. Bij brief van 11 april 2014 heeft appellant de minister verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een bijzondere uitkering op grond van de Regeling Ereschuld, zoals thans neergelegd in artikel 21a van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV). Bij besluit van 22 april 2014 heeft de minister dit verzoek afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde voor toekenning van een bijzondere uitkering, dat sprake is van invaliditeit met dienstverband als gevolg van inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 mei 2014 bezwaar gemaakt. 1.3. Appellant heeft de minister bij brief van 20 juni 2014 in gebreke gesteld vanwege overschrijding van de beslistermijn. 1.4. Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 april 2014 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld. 1.5. Bij brief van 17 juli 2014 heeft de minister appellant uitgenodigd voor een hoorzitting. Tevens is de beslissing op bezwaar van 4 juli 2014 ingetrokken. 1.6. Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 april 2014 opnieuw ongegrond verklaard . Tevens heeft de minister besloten dat geen dwangsom is verschuldigd. De ingebrekestelling is op 23 juni 2014 ontvangen zodat voor 7 juli 2014 een besluit diende te worden genomen. Op 4 juli 2014 en dus binnen de gegeven termijn is een beslissing op bezwaar genomen. Dat de beslissing nadien is ingetrokken doet daaraan niet af, aldus de minister. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, dat de rechtbank mede gericht heeft geacht tegen het besluit van 29 augustus 2014, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister aan appellant geen dwangsom is verschuldigd. Indien het bestuursorgaan na ontvangst van de ingebrekestelling tijdig een besluit neemt, brengt intrekking van dat besluit niet mee dat de ontvangen ingebrekestelling herleeft. De rechtszekerheid vereist in een dergelijke situatie dat de bezwaarde zo nodig opnieuw het bestuursorgaan in gebreke stelt. Appellant heeft dat niet gedaan. Verder heeft de rechtbank overwogen dat aan het feit dat appellant voldoet aan de eisen die aan het recht op een militair invaliditeitspensioen worden gesteld, geen betekenis toekomt. De Regeling Ereschuld kent een eigen regime dat weliswaar is gekoppeld aan het militair invaliditeitspensioen, maar een beperktere doelgroep kent. Zoals de minister ook heeft gesteld is niet de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden bepalend, maar de striktere eis van inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie. Appellant heeft niet betwist dat hij als militair daarvoor nimmer is ingezet. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Regeling Ereschuld 4.1.1. Bij Koninklijk besluit van 19 juni 2014 (Stb. 2014,